Norah Jones: The Fall

 
 

Als ik ergens blij om ben dan is het wel dat ik niet te snel een review heb geschreven voor de nieuwe cd van Norah Jones genaamd “The Fall”. De eerste (te vluchtige) luisterbeurten lieten me met een gevoel van oppervlakkigheid achter. Dat kwam mede omdat het openingsnummer “Chasing Pirates” een toegankelijk intro is van de cd waarop zelfs op enig moment “Programming” (elektronische percussie) te horen is en bij een vluchtige beluistering van de gehele cd zou je tot een eindoordeel kunnen komen die de cd geen recht doet. Dat de cd aan oppervlakkigheid ten onder zou gaan was dus ook een foute eerste conclusie want dit is een plaat met inhoud. Heel veel inhoud.

Ik had ook beter moeten weten; haar debuut “Come away with me” heeft als het ware tijdenlang rond me heen gezweefd en heeft me pas na maanden te pakken gekregen. Ik ben daarna wel helemaal gevallen voor die lome jazzy voordracht. In haar stem hoor ik heel veel diepte, zoals ik dat in het verleden niet vaak ben tegengekomen. Hetzelfde ervaar ik, hoewel ze absoluut niet met elkaar te vergelijken zijn, bij soulzanger James Carr. Beide kunnen die diepte en emoties via hun uit puur goud gegoten stembanden laten horen en vooral laten voelen. Daarnaast kan Jones als geen ander in een compositie “kruipen” en deze haar, wanneer het een cover betreft, volledig eigen maken.Het is mede daarom dat ik Norah Jones tot de allergrootste zangeressen van de laatste tijd beschouw.

Voert bij de James Carr de directheid en onomfloerste rauwe emotie de boventoon, bij Norah Jones ligt de emotie juist ingebed in subtiliteiten. Ze heeft een zachte stem waarmee ze kan verleiden en ontroeren en waarin ze zeer vele nuances kan aanbrengen. “Back to Manhattan” is daar een schoolvoorbeeld van. Als je na het horen van de passage “I’ve a prince who is waiting / and a kingdom downtown” van het hiervoor genoemde nummer niet aanvoelt wat ik met die diepte en nuance bedoel dat zul je nooit begrijpen waarom ik Norah Jones op een dergelijk voetstuk plaats.

Wat opvalt aan “The Fall” is dat de cd niet is geproduceerd door Lee Alexander maar door Jacquire King die ondermeer heeft gewerkt met Tom Waits, Josh Ritter en Kings of Leon. Er is gekozen voor een aanpak waarin vervormde gitaren (mijn muziekvriend Hans legde de terechte associatie met Daniël Lanois) op de achtergrond voor een atmosferische sfeer zorgen. Prachtig is dat te horen in “Even though”; een geweldig fraai nummer over intimiteiten, verlangens, eenzaamheid en angst. “It makes me think that I don’t know me / So unsure / When I remember all the things he showed me / And I want more...”.

Nu tref je ondanks de vervormde gitaren in de muziek van Norah Jones nauwelijks rauwheid aan en zelfs in het nummer waar de gitaar het meest overstuurd klinkt, namelijk “It’s gonna be”, is de gitaar achterin de mix geplaatst en wordt alleen met de extra versterkte Wurlitzer echt buiten de lijntjes gekleurd. Stilistisch kan ik niet zeggen dat er nu een megaverschuiving heeft plaatsgevonden maar Jones verkent wel nieuwe wegen. Dat liet zij overigens ook al horen op haar voorganger “Not too late” waarop zij op het nummer “Sinkin’ Soon” zelfs cabaretachtige muziek a la Tom Waits liet horen. Het siert haar dat zij, ondanks megaverkopen van haar debuut cd, niet laat heeft laten kooien in mainstream radiopop. “The Fall” is een cd die vaak en steeds opnieuw beluisterd moet worden. Dan pas ervaar je de echte schoonheid van deze prachtplaat.

Luister eens hoe knap de drums na de beat invallen op het ogenschijnlijke eenvoudige “Chasing Pirates”, naar kleine inkleuringen van percussie of naar de vreemde pianoklanken (alsof ze de snaren van de piano bespeelt…) van de afsluiter “Man of the hour” dat mij deed denken aan de Vaudeville blues van de jaren ’20 en ’30 met dien verstande dat de dames Bessie Smith, Victoria Spivey e.d. de blues met meer bravoure brachten. Het blijft tenslotte wel Norah Jones. Het absolute prijsnummer van de “The Fall” is voor mij “Back to Manhattan” waarop ze haar en mijn ziel weet bloot te leggen. Ergens in het midden van het lied, nadat Norah Jones mij al een emotionele knock-out heeft gegeven, verschijnt absoluut de meest fantastische en jammerende lapsteel solo (gespeeld door Jon Graboff) die er dit jaar op plaat is gezet. Een woord als subliem doet deze overweldigende schoonheid gewoon te kort. Het zijn die momenten waarop je je realiseert welke ongelooflijke krachten er schuilen in muziek; helende, zalvende maar ook krachten die gevoelens van puur geluk op dergelijke momenten versterken.

Alleen al voor die vier hemelse minuten had ik deze plaat blind aangeschaft. Er is voor mij geen ontkomen meer aan. Norah Jones zit in mijn muzikale hart en zal daar nog wel even huizen. Tot uiteraard de volgende release die ik weer kritisch tegen de bekende lamp zal houden. Ik weet echter zeker dat ik de volgende keer niet te snel mijn conclusies zal trekken. Nee, niet bij Norah Jones. Een ezel stoot zich nu eenmaal niet twee keer aan dezelfde steen. Hoewel…

Ed Muitjens
Norah Jones
The Fall