Ray Wylie Hubbard: The Grifter’s Hymnal

 
 

Ray Wylie Hubbard hoeft niets meer te bewijzen. Hij kan terugkijken op een carrière die bijna veertig jaar overspant, een discografie van zestien albums zonder tegenvallers, een handvol prijzen en hij is in 2005 opgenomen in de Austin Music Awards Hall Of Fame. Daarnaast is Hubbard een gewaardeerd muzikant, producer, songschrijver en hardwerkende performer die alleen al de komende drie maanden meer dan dertig keer in de VS zal spelen om de release van zijn nieuwe album The Grifter’s Hymnal te ondersteunen. 

Twee jaar geleden pakte Hubbard op zijn volstrekt unieke wijze uit met A. Enlightenment B. Endarkenment (Hint: There is no C) dat ik toen elders omschreef als ‘een album met de stootkracht van een op scherp staande Smith & Wesson: klaar om je omver te blazen’. Vandaag, op zijn vijfenzestigste, laat Hubbard horen dat hij nog lang niet van plan is om zijn pensioen aan te vragen. Niets meer moeten bewijzen, maar toch elke keer opnieuw jezelf willen overstijgen: het is een kenmerk dat grote artiesten onderscheidt van subtoppers. Nog zo’n onderscheidende karaktertrek is: gewoon je eigen gang blijven gaan, wars van trends, hypes, marketingblabla en de doorgaans kort regerende waan van de dag. Je eigen richting volgen omdat het de enige richting is die je voldoening schenkt. Omdat je weet dat wat je doet, goed is, zonder jezelf daarbij te herhalen. Hubbard volgt die eigengereide weg al zijn hele leven lang – en het siert hem. 
The Grifter’s Hymnal opent met Coricidin Bottle, een door de drums van Rick Richards (Georgia Satellites! Tom Russell!) gedreven nummer dat mij niet alleen doet denken aan Bo Diddley maar ook aan Buddy Holy, zij het overgoten met het soort ruwe gravel dat de muziek van Hubbard al decennialang typeert. Hetzelfde soort gruis dat van South Of The River, Train Yard (met een heerlijk smerig slidegitaartje) en het kritische Lazarus (“So here we are now kinda like abandoned dogs / Wrapped up in Gunnysacks and singing cast iron songs / We’re weird old America / We’re grinning with sharp teeth / We’re beautiful on the surface and rotten underneath”) zulke onweerstaanbare rockers maakt en de ballads – al is dat geen adequate vlag om déze lading te dekken – boven die toch al kwalitatief hoogstaande songs uittilt.
Beklemmend maar bloedmooi is Red Badge Of Courage, een in blues gedrenkte song waarin Hubbard de haviken uit de Amerikaanse politiek een welgemikte trap in het zelfgenoegzame oorlogszuchtige kruis verkoopt: “What do I say to these ghosts that keep coming round again? / We was just kids doing the dirty work for the failures of old men”. Zoon Lucas strooit met subtiele gitaarlicks, Ray Wylie zelfs blinkt uit op slide. Van hetzelfde kwalitatieve laken een perfect zittend pak zijn Ask God en het grandioze Count My Blessings waarin Hubbard, 47 jaar na de feiten, het onderzoek naar de ware omstandigheden waaronder Sam Cooke om het leven kwam (hij werd neergeschoten door Bertha Franklin, de manager van het hotel in LA waar hij verbleef) ter discussie stelt. En het verhalende Mother Blues mag wat mij betreft ooit uitgewerkt worden tot een heuse novelle.
The Grifter’s Hymnal is een album zonder overbodige opsmuk, een plaat waarop precies zoveel instrumenten gebruikt worden als de song nodig heeft (op 5 nummers zoek je tevergeefs naar een basgitaar), een bij wijlen overweldigende manifestatie van talent, persoonlijkheid en obstinaat je eigen lijnen uitzetten. Ray Wylie Hubbard doet dat met vanzelfsprekend lijkende waardigheid, maar de zorgvuldige toehoorders onder ons weten dat daar zware arbeid aan vooraf gaat. Arbeid die hier geen vruchten maar een volledige boomgaard afwerpt.  
Martin Overheul
Ray Wylie Hubbard
The Grifter’s Hymnal