The Rolling Stones: Blue and Lonesome

 
 

Als je de leeftijd van de vier kernleden van de Rolling Stones optelt, kom je aan 290 jaar. Voor een rockband is dat bepaald indrukwekkend en schrikbarend tegelijk. In dat verband zei de veel te vroeg overleden zanger Robert Palmer ooit dat hij zichzelf na zijn vijftigste niet meer op een podium zag staan. Alsof het maken van rockmuziek strikt voorbehouden was aan de jeugd. Ook wat dat betreft heeft Palmer aan het kortste eind getrokken, want dit jaar verschenen er heel wat albums van muzikanten die de pensioengerechtigde leeftijd naderen of intussen ruimschoots gepasseerd zijn.

Maar goed, Mick, Keith, Charlie en Ron komen tezamen aan een respectabele 290 jaar. Bij het beluisteren  van Blue and Lonesome, hun nieuwe studioalbum (de eerste na A Bigger Bang uit 2005), lijken daar spontaan 150 jaar af te vallen, want de heren klinken als een bende jonge honden die voor het eerst in de sneeuw mogen spelen. Al hoor je al hun jaren in de studio en op het podium wél terug in de twaalf bluescovers die Jagger en de zijnen hier opdienen. Een groep twintigers had deze plaat namelijk niet kunnen maken. Daarvoor ontbreekt het op die leeftijd doorgaans aan diepgewortelde teleurstellingen, overwonnen tegenslagen, verwerkt en onverwerkt verdriet, besef dat elke dag je laatste kan zijn, het inzicht dat je beter zwijgt als je niets te melden hebt en de notie dat wat je te zeggen hebt in de muziek een samenspel is van vorm en inhoud. Voor mij deden de Stones dat op hun beste albums (Aftermath, Beggars Banquet, Let It Bleed, Sticky Fingers, Exile On Main Street) en doen ze dat op dit album opnieuw.

Blue and Lonesome werd in een recordtempo ingeblikt: drie dagen. Producer Don Was koos voor een rauw livegeluid dat de band voldoende ruimte laat om aan alle kanten (bestudeerd) te rammelen  - voor mij overigens een van de redenen waarvoor ik als kleine jongen voor deze muziek viel. Terwijl de jonge Stones zich ruim vijftig jaar geleden richtten op het werk van Rufus Thomas, Chuck Berry, Don Covay en Muddy Waters, kiezen ze nu voor nummers van bluesmonumenten als Little Walter (Blue and Lonesome, I Gotta Go, Hate to See You Go), Willie Dixon (Just Like I Treat You, I Can’t Quit You, Baby) en Howlin’ Wolf. Zonder daar al te grote conclusies aan te verbinden, doet dat me denken dat ze door de jaren heen zijn gaan aanvoelen dat hun grootste overeenkomsten bij dit soort bluesmuzikanten liggen.

Mick Jagger verkeert op zijn 73ste in een bloedvorm en speelt vanaf opener Just Your Fool (Buddy Johnson) mondharmonica als een bezetene. Op zijn beurt laat Charlie Watts (75) in dat nummer elke beginnende drummer horen dat strak spelen een kunst is. Daarna dendert de band met een karrenvracht vol energie door Commit a Crime van Howlin’ Wolf. De titeltrack is het eerste rustpunt op het album, al is de term rustpunt hier niet echt goed gekozen: Richards (73) en Wood (69) gaan behoorlijk te keer op hun gitaar. Ride Em On Down, een original van Eddie Taylor, is vervolgens pure Stones: scherp, vitaal en swingend als een op hol geslagen draaimolen. Maar het mooiste nummer is Little Rain, een zalige bluesballade van de hand van Ewart Abner en Jimmy Reed. Dit had niet misstaan op Get Yer Ya-Ya’s Out. Alleen jammer dat er voor een fade out is gekozen in plaats van een behoorlijk einde.

Maar dat is dus detailkritiek. Zoals de opmerking dat de Stones soms wel erg dicht bij het origineel blijven ook detailkritiek is. Er is tenslotte niets mis met respect. En een cover van de Stones is en blijft een cover van de Stones, nietwaar? Zo’n cover wordt ook meteen voor een heel groot deel een nummer van de Stones.  Waarmee ik tot de volgende slotsom kom: een van de betere albums van het jaar werd gemaakt door een bende snotneuzen van in de zeventig. Lees die laatste zin nog maar eens heel aandachtig, want daar valt veel hoop uit te putten.

 
Review
Martin Overheul
The Rolling Stones
Blue and Lonesome