De Pianist met het Pakje

Sjoerd Punter

Het Begin

Kijk eens in de poppetjes van mijn ogen

pianist1

De wereld was klein toen ik klein was. Helemaal niets te beleven. Een lockdown die een groot deel van mijn jeugd duurde. Ik was tien toen in ons dorp voor het eerst het mensentype te zien was dat we toen nog onbekommerd aanduidden als een neger. Hij was aanwezig in het kielzog van een zendeling die ons aanspoorde tot het verzamelen van materialen die verkocht konden worden om met de opbrengst de primitieve mens te kerstenen. De neger glimlachte vriendelijk.  Gefascineerd keken we naar hem. Zou hij ook rood bloed hebben? Niemand kon weten dat de muziek die later een ingrijpende invloed op ons leven zou hebben heel veel te danken had aan de oeroude ritmes uit Afrika.

Een jaar later verhuisde ik naar de grote stad, en daar ging alles anders toe. Met wat schoolmakkers trokken we op een middag naar de oorlogsruïnes op de Grote Markt om daar kutje te kijken. Een meisje uit de zesde klas trok haar slipje naar beneden, hooguit een halve minuut, en dat was het dan. Het begin van machteloze seksualiteit.

De verlossing kwam in 1956. Opeens was er rock ’n’ roll. Een explosie van energie. Het bloed ging sneller stromen, de handrem eraf. De muziek was niet alleen opwindend, voor het eerst ging het ook over onderwerpen waar je Perry Como en andere honingzoete zwijmelaars uit die tijd nooit over hoorde. Uiteraard kwam seks, behoedzaam geformuleerd, om de hoek kijken. Een beladen onderwerp in die dagen. Op mijn christelijke middelbare school kwam het op een avond tot dansen. De directeur was er niet bij en hoorde pas de volgende dag wat er was gebeurd. Groot alarm. Meteen ging er een brief aan alle ouders de deur uit. De directeur liet weten dat hij niet instond voor de gevolgen van het dansen… Alsof de kids zich bezig hadden gehouden met woeste voortplanting in plaats van met een vlinderstrikje onder de kin braafjes te bewegen op de bijzonder beschaafde klanken van de Dutch Swing College Band. Zo was de sfeer. Tot de zomer van 1958 was een buddyseat op bromfietsen officieel verboden. Veel te sexy. De negentiende eeuw was echt nog niet voorbij. De schillenboer, de draaiorgelman en diverse leveranciers van dagelijkse producten, allemaal kwamen ze langs met paard en wagen. Overal poepheuveltjes en schuimende plassen pis op straat. Vieze boel in die goeie ouwe tijd.

Op de Nederlandse radio veranderde weinig aan de programmering. Daar regeerde nog steeds slappe kost, zoals ‘Twee reebruine ogen, die keken de jager aan’ en het al even belachelijke ‘Kijk eens in de poppetjes van mijn ogen’. Het waren nummers, gezongen door dames met wijd uitwaaierende jurken die ver onder de knieën eindigden. Seksloze types, die zich nauwelijks bewogen. Blote enkels, daar moesten wij het mee doen. Ook heel populair was Olga Lowina, de jodelkoningin uit Twente, jarenlang joeg ze mij de stuipen op het lijf met haar holada-itti-jo. Gelukkig ontdekte ik de Amerikaanse legerzender AFN, die uitzond vanuit Bremerhaven. Hier draaiden ze opwindende rock ’n’ roll, net als trouwens Radio Luxemburg (Your station of the stars). Daar was op zondagavond van elf tot twaalf de Engelse top-20 te horen. Ik luisterde ernaar in bed, want daar hoorde je als 12-jarige liggen, bij voorkeur weggezakt in een diepe, gezonde slaap om de volgende dag vol energie in het gareel te kunnen lopen. Het zou tot 11 september 1959 duren voordat het op de Nederlandse radio ‘Tijd voor Teenagers’ was. Het programma werd één keer per week op vrijdagmiddag uitgezonden. Als je kijkt naar wat er die eerste keer werd uitgezonden, wisten de samenstellers niet precies wat ‘teenagermuziek’ was, want er werden nummers gedraaid van de crooner Perry Como en de trompettist Willie Schobbe. Het programma werd gepresenteerd door een man die niet de indruk maakte erg warm te lopen voor de nieuwe muziek. Waarschijnlijk zat hij het liefste thuis om met zijn vriend ‘Mens erger je niet’ te spelen, een populaire bezigheid in die dagen.

In 1956 stond de televisie nog in de kinderschoenen. Bij ons in de straat was er slechts een persoon met een televisietoestel. Hij keek altijd alleen. Dus kwamen voor mij de eerste levende beelden pas door toen in de bioscoop de film ‘Rock around the clock’ draaide met Bill Haley & The Comets achter de microfoon. Bill Haley was een voormalige countryzanger uit Amerika die zich had bekeerd tot de rock ‘n’ roll. Hij was al behoorlijk op leeftijd en dol op vlinderstrikjes. Hij had een rare haarlok, die als een omgekeerde komma op zijn voorhoofd zat geplakt. In de film werd er flink op los geswingd. Uiteraard infecteerde dat de mensen in de zaal. Ongebruikelijk enthousiaste taferelen waren het gevolg. Sommige burgemeesters schrokken zo van de berichten over onregelmatigheden, dat ze de vertoning van de film in hun gemeente verboden. Er was ook een gemeente waar de film alleen zonder geluid vertoond mocht worden. Ik zag de film in Groningen. Daar durfde de burgemeester het wel aan. De sfeer in de bioscoop was behoorlijk opgewonden, maar totaal niet bedreigend. Los in de heupen kwamen we de bioscoop uit, om meteen te ontnuchteren. We werden opgewacht door de politie, in die dagen nog uitgerust met klewangs, een soort kromme zwaarden waarmee in Nederlands-Indië ‘opstandelingen’ een kopje kleiner werden gemaakt. Het wapen werd ook wel het Zwaard Gods genoemd en bleef tot 1963 in gebruik bij de politie. Uiteraard gingen we er snel vandoor, want we hadden geen behoefte aan een hauw met een zwaard. Het zou nog even duren voordat we in opstand kwamen. In de States was de situatie niet veel beter. Eveneens in 1956 bepaalde een rechter in Florida dat tijdens een optreden van Elvis Presley aan beide kanten van het podium een rij politieagenten moest worden opgesteld. De cops moesten Elvis onmiddellijk arresteren als hij tijdens het zingen ook maar iets meer verroerde dan zijn pink. En dus bewoog Elvis alleen maar zijn pink, maar ook daar reageerden de meisjes in de zaal hysterisch op. Volgens journalisten waren de bewegingen van Presley tijdens zijn optredens ‘moreel verdorven’, ‘primitief’, ontuchtig’, ‘obsceen’ en ‘vulgair’, oftewel een ‘striptease met kleren aan’.

Skip Voogd, redacteur van het in Eindhoven uitgegeven muziekblad Tuney Tunes, schreef in 1956 een artikel met als veelzeggende titel: ‘Elvis Presley – Hysterie in optima forma’. Hij had het over ‘afschuwelijk, mensonterend geschreeuw, gepaard gaande met sinister uitgestoten klanken’. Intussen zette ik in mijn slaapkamertje op de bovenste verdieping van mijn ouderlijk huis een pick-up uit een bouwpakket in elkaar en consumeerde mijn eerste singletje: Elvis Presley in een geel hoesje. Mijn moeder vond ‘Don’t  be cruel’ walgelijke herrie en sloot beneden de stroomtoevoer af. Ze hield erg van mij.

In 1958 ging op de Nederlandse televisie het programma ‘Pas Geperst’ van start. Hier werd nieuw vinyl van commentaar voorzien. Mijn muziek had bijzonder weinig krediet. Ik zag hoe een Indo-bandje met best een aardig nummer werd geconfronteerd met de mezzosopraan Cora Canne Meyer. De grijze orkestleider Pi Scheffer leidde het tribunaal hoofdschuddend in met de woorden: “Veel mensen houden niet zo van jullie muziek.” Ziezo, de toon was gezet. De mezzosopraan bleek ernstig te hebben geleden tijdens het luisteren naar het plaatje. “Vooral het zingen stoort me erg”, verklaarde ze met een zuinig mondje. “Erg lelijk, ik houd er niet van. Het stoterige van de stem is naar.” Daar kon het Indo-bandje het mee doen. Verpletterd als een lastige vlieg. Dat was niet terecht: die Indo-bandjes waren in Nederland de pioniers van de nieuwe muziek. Ze hadden duidelijk een eigen stijl. Traden vaak op met twee sologitaristen en hanteerden een razend tempo. Ook werkten ze met syncopen die afkomstig waren uit de Indonesische gamelan. De Tielman Brothers waren top of the bill. Ze arriveerden in 1957 vanuit Timor in Nederland en gingen meteen van start met een bandje. Ze begrepen heel goed dat de mensen vooral luisterden met hun ogen. Dus zagen de Tielman Brothers er strak en flitsend uit met witte jasjes, witte schoenen en witte gitaren. Zanger Andy Tielman was een fenomeen: lang voordat Jimi Hendrix het deed bespeelde hij zijn gitaar met zijn tanden, en trouwens ook met zijn voeten. En het klonk nog goed ook. De Tielman Brothers hadden veel succes in Duitsland, en speelden een tijd in Hamburg, dezelfde tijd dat The Beatles actief waren in een zijstraat van de Reeperbahn, toen nog met Pete Best als drummer. De Tielman Brothers verdienden bakken met geld, maar zuinig waren ze niet. Andy Tielman stierf in 2011, geheel berooid.

De jaren zestig waren een decennium waarin veel zou veranderen. De muziek evolueerde razendsnel in allerlei richtingen. Het leverde veel moois op met Bob Dylan voorlopig als de Grote Roerganger. In 1966 (‘the year the decade exploded’) stapte ik de dagbladjournalistiek in en ging aan de slag als verslaggever in Assen. Ik kreeg een reumatische typemachine ter beschikking, waarna mijn journalistieke carrière van start kon gaan. Ik had het geluk dat Cuby & The Blizzards ook uit de Drentse hoofdstad kwamen en in die tijd al behoorlijk succesvol waren. Eindelijk had Assen iets om trots op te zijn. Zodoende was het geen enkel probleem om, naast al die saaie lokale wederwaardigheden, ook over ‘lichte’ muziek te gaan berichten in een krant waar tot dusver uitsluitend ‘serieuze’ muziek aan bod kwam, in de praktijk waren dat vooral zangkoren en af en toe een verdwaald orkest. Ik mocht zelfs een rubriek beginnen, waar nieuwe platen aan de orde kwamen. Dozen vol arriveerden op de redactie. Dat kwam goed uit, want het was muzikaal gezien een bijzonder rijke tijd. In 1966 kwam ‘Blonde on blonde’ van Bob Dylan uit, een jaar later gevolgd door Frank Zappa met ‘Absolutely free’, de Beatles met ‘Sergeant Pepper’s lonely hearts club band’ en Jimi Hendrix  met ‘Are you experienced’. In 1968 kwam Aretha Franklin met haar prachtige album ‘Lady soul’ en Van Morrison met het meesterwerk ‘Astral weeks’. De jaren zestig werden in stijl afgesloten met ‘Tommy’ van The Who en ‘Ummagumma’, het klassieke album waarmee Pink Floyd wereldwijd doorbrak.

Mijn verbondenheid met muziek is gebleven, ook al kom ik zelf niet verder dan tweevingerritmes op het letterorgel. Eerst vanuit het Hoge Noorden en daarna vanuit Eindhoven, heb ik de muzikale ontwikkelingen in de populaire sector nauwlettend in de gaten gehouden, steeds op basis van een diepgaande belangstelling voor de mens achter de muziek. De verhalen in dit boek getuigen daar van.

Veel interviews met grote namen uit de internationale muziek stelden niet veel voor. Ze duurden meestal niet langer dan een half uur, vaak zelfs korter, en er werd vooral gesproken over het laatste album, dat natuurlijk ‘fantastisch’ was. Ik denk met plezier terug aan de ontmoeting met Feargal Sharkey, zanger van de Noord-Ierse band The Undertones. Hij vroeg me waar je in Amsterdam hasj kon kopen. Ik antwoordde: Om de hoek in het politiebureau. Toevallig nog waar ook. De Bulldogwas gehuisvest in het voormalige hoofdbureau van politie. Zelden iemand zo verbaasd zien kijken. Soms ontstond er iets dat dieper ging, zoals met Gloria Estefan uit Miami (goed voor 100 miljoen verkochte platen). Ieder jaar zond ze me trouw een kerstkaart, en misschien doet ze dat nog wel, alleen ben ik verhuisd. Voor hetzelfde geld had je een interview waar je helemaal niets mee kon, zoals met Francis Rossi van Status Quo. In het Hiltonhotel in Rotterdam behandelde hij zijn bordeelervaringen op een manier die zeer vermakelijk was, maar minder geschikt om te publiceren in de kranten waar ik voor werkte. Twee tafeltjes verder zat Rick Parfitt, de inmiddels overleden gitarist van Status Quo. Zwijgend en bewegingsloos staarde hij voor zich uit, een blonde leguaan, loerend naar een prooi. Helaas ben ik de aantekeningen van dit merkwaardige interview kwijtgeraakt. Soms was zo’n ontmoeting op hoog niveau ontluisterend. Dat was toen ik de kans had om de Everly Brothers te ontmoeten voordat ze in de Ahoy het podium op moesten. In de sfeerloze kleedkamer van het betonpaleis zag ik twee oudere jongeren achterover geleund zitten met een glas melk in hun hand, gekleed in zo’n suf joggingpak waarmee nooit wordt gejogd. Gaap-gaap. Zo zie je je oude helden liever niet. In die tijd was Jip Golsteijn van de Telegraaf een grote naam op het gebied van muziekinterviews. Jerry Lee Lewis zou een keer aanstalten hebben gemaakt hem het raam uit te donderen, tenminste dat beweerde Golsteijn zelf. Na Jip op 24 oktober 1983 op Schiphol meegemaakt te hebben tijdens een interview met Fats Domino, begon ik daar toch anders over te denken. De gevierde popjournalist bleek zich te bedienen van vragen met ingebouwd antwoord. Fats hoefde alleen maar te knikken, en af en toe nee te schudden, en hupsakee, klaar was het interview, een halve pagina in De Telegraaf. Fats trad een paar dagen later op in Eindhoven. ’s Middags ging hij op bezoek bij Hélène van Liempt-Ackermann, een huismoeder die zich president noemde van de Fats Domino Fanclub. Fats was een aardige man met een gezonde belangstelling voor whisky. ‘s Avonds, tijdens het optreden van Fats in het Philips Ontspanningscentrum, kreeg de zoon van de fanclubpresidente een epileptische aanval. Hij lag aan de zijkant van het podium te stuiptrekken, maar zijn moeder ging gewoon met wat ze al de hele tijd deed: enthousiast uit de maat meeklappen.

Ik heb honderden concerten in binnen- en buitenland gerecenseerd. Bijna iedereen aan het werk gezien. Meeste indruk maakte Stevie Wonder. The greatest of them all. Het is wel zo dat wie muziekrecensies schrijft waar de waarheid niet in wordt geschuwd, zich op gevaarlijk terrein begeeft. Je kunt beter een deuk in de auto van een hardcore fan trappen dan tegen hem zeggen dat zijn held Neil Young al jaren niets anders dan rotzooi produceert. Als je niet in staat bent de honderd meter in tien seconden te lopen, is het beter om te zwijgen. Er kunnen namelijk vreemde dingen gebeuren als het gaat over zoiets emotioneels als muziek. Dat bleek in 1983 toen ik uitrukte om in Eindhoven een concert van Doe Maar te recenseren. Doe Maar was een natte-broekjesband, aanbeden door jonge meisjes die tijdens het optreden oorverdovend krijsten. Sommige meisjes hadden al borsten, maar die waren sterk in de minderheid. Het leek me geen pretje om ondergedompeld te worden in deze nieuwe versie van de Rattenvanger van Hamelen, maar ik voelde me uitgedaagd door een uitspraak van Ernst Jansz, ogenschijnlijk het prototype van de ideale schoonzoon. In een interview had Jansz zich erover beklaagd dat Doe Maar altijd werd beoordeeld op het gedrag van de fans, en zelden op de ‘muzikale kwaliteiten’. Oké, dacht ik, dat gaan we doen. Eens kijken hoe goed ze zijn. Het optreden viel zwaar tegen en bood weinig meer dan slappe tekstjes en slome nep-reggae. Ook instrumentaal viel er weinig te genieten. Niemand leek echt zijn best te doen. En dat noteerde ik in een recensie voor het Eindhovens Dagblad. Het resultaat was overdonderend. De krant werd telefonisch belegerd door woedende fans, en was dagenlang moeilijk bereikbaar. Er kwamen ruim 150 ingezonden stukken binnen, allemaal gericht tegen de gevoelloze sadist die het had gewaagd om zo’n negatieve recensie uit te braken.

In 2004, maar liefst 21 jaar na de publicatie van mijn recensie, bleek dat Ernst Jansz er een ernstig trauma aan had overgehouden. Tijdens een lezing over de ‘ethische kant van de popjournalistiek’ schoof de ideale schoonzoon mij van alles in de schoenen. Hij beweerde dat ik aanvankelijk aan ‘echte fan’ was van Doe Maar en dolgraag een boek over de band wilde publiceren. “Dat werd geweigerd”, aldus Jansz. “Vanaf dat moment liet hij geen mogelijkheid voorbijgaan om Doe Maar en alles wat daarmee samenhing de grond in te boren, te kleineren en zelfs serieuze artikelen van zijn medewerkers te saboteren.” Totale onzin. Alsof de redactie van een krant op dezelfde manier functioneert als het een of andere kutbandje met te grote ego’s achter de microfoon. Ik heb Ernst Jansz nooit gesproken, net als de rest van de band. In totaal heb ik één artikeltje gepubliceerd over Doe Maar, meer was niet nodig. Een ‘echte fan’ was ik uiteraard niet. Er is wel sprake geweest van het schrijven door mij van een boek over Doe Maar. Ik zou er 10.000 gulden voor krijgen, best een aardig bedrag in die tijd, maar na de eerste werkbespreking met de vrouw van Ernst Jansz haakte ik af. Ze was net zo dol op inspraak als Vladimir Poetin. Dat was meteen einde verhaal. Gelukkig maar, want een maand later kwam er abrupt een eind aan het bestaan van Doe Maar na met fruit en eieren bekogeld te zijn op Pinkpop.

Geheel onverwacht kwam ik laatst op druilerige morgen de ideale schoonzoon tegen. Ik liep de hoek om en daar stond hij. De ideale schoonzoon bleek gekrompen tot het formaat van een tuinkabouter en had het gelooide gezicht van een schildpad. Hij had nog wat te goed van mij. Doe maar, fluisterde een vals stemmetje in mijn hoofd. Hierdoor aangemoedigd, gaf ik het kereltje de schop die al veel eerder uitgedeeld had moeten worden. Niet te hard natuurlijk, gewoon een educatief schopje, maar toch viel de ideale schoonzoon in brokken op de grond. Veger & blik erbij, en hup, daar ging hij het vuilnisvat in. Jammer dat het een droom was.

SJOERD PUNTER 2016