De Pianist met het Pakje

Sjoerd Punter

Don Henley

Absoluut geen heimwee naar de Eagles

Pianist4

Een grauwe dag in de winter van 1985. Don Henley kijkt naar buiten en ziet hoe de mensen hoog in de kraag gedoken voorbijschuiven, kouwelijke gezichten in de kleur van natte sneeuw. Hij zit op een hotelbed, met uitzicht op het bisschoppelijk paleis in Den Bosch. Hij oogt niet erg blij. Dat is niet zo moeilijk te begrijpen. In de categorie deprimerende ambiances scoort deze hotelkamer met z’n vergeelde behang en doodmoe meubilair erg hoog. Het is vreemd om iemand als Don Henley in deze wereld zonder glans aan te treffen. Hij lijkt zich niet te verheugen op het gesprek dat, zo hebben hogere machten beschikt, gedurende een half uur moet plaatsvinden. Don’t touch me stranger, I’m dangerous – zo is ongeveer de uitstraling van Don Henley.

Hij is vijf jaar geleden opgestapt als drummer en zanger van The Eagles. Een hoofdpijnband: te veel moeilijke karakters bij elkaar. Vaak ruzie in de tent. Samen met Glenn Frey en Don Felder schreef Henley in 1977 ‘Hotel California’ en zong het nummer hoog de mondiale hitparades in. Het werd een klassieker, maar heeft een akkoordenschema dat toch verdacht veel lijkt op een ander nummer, namelijk ‘We used to know’ van Jethro Tull. Aanvankelijk wilde het niet echt lukken met de solocarrière van Don Henley, maar het lijkt hem nu toch weer voor de wind te gaan. Daarom is Europa aan de beurt voor wat promotionele activiteiten.

Henley ziet er net zo gezond uit als zijn woudloperschoenen. “Het leven is prima als soloartiest”, beweert hij. “Ik heb absoluut geen heimwee naar mijn tijd bij de Eagles. Beduidend minder ruzie tegenwoordig. Ik hoef die mensen ook niet meer zo nodig te zien. Ze hebben het trouwens veel te druk.” Erg positief klinkt het niet. Een van ‘die mensen’ is Joe Walsh. Samen met Don Felder verzorgde hij het kenmerkende gitaarwerk op ‘Hotel California’. Walsh heeft net een nieuw album uit, een goede gelegenheid om de crisisbestendigheid van Don Henley te testen.

“Waarom heeft Joe Walsh jou eigenlijk niet uitgenodigd voor z’n nieuwe album?” vraag ik pesterig, terwijl ik heel goed weet dat de gitarist Stevie Nicks, de toenmalige vriendin van Don Henley, heeft overgenomen, een move die tot grote spanningen binnen de Eagles leidde.

Alarmfase Drie op het gezicht van Don Henley. “Joe drives me crazy!” knarsetandt hij. “Zal ik hem eens voor jou beschrijven? Joe is een interessante verzameling mensen. Een paar daarvan zijn wel leuk, maar de andere Joe’s…” Henley huivert. “Ik zie hem liever niet dan wel. Ik kan onmogelijk met Joe Walsh werken. In interviews heeft die lul dingen gezegd die mij helemaal niet aanstaan. Alsof hij recht van spreken heeft. Hij is getrouwd met een vrouw waar hij al zeven jaar bij was, kreeg bij haar een baby, een meisje, liet die vrouw vervolgens in de steek voor Stevie Nicks. Volgens mij is dat niet erg slim, maar ze verdienen het om bij elkaar te zijn. Want Stevie Nicks is interessante verzameling vrouwen, en een paar daarvan zijn wel leuk…”

Henley perst er een dun lachje uit en informeert of we het niet beter over z’n nieuwe soloalbum kunnen hebben. We praten daar enige tijd over, het bekende gebabbel, het ene oor in en het andere uit. We hebben het ook nog even over de hetze die gaande is tegen bands die zich zouden inlaten met satanische praktijken. Een van die verhalen is dat op de hoes van ‘Hotel California’ Anton LaVey, de oprichter van de Church of Satan, staat afgebeeld. Henley kijkt oprecht verbaasd. “Komen ze daar hier nu ook al mee op de proppen? Dat was drie jaar geleden bij ons een big deal. ’t Is toch niet te geloven. Grote onzin natuurlijk. Je kunt miljoenen platen achterstevoren draaien en gegarandeerd dat je dan wel eens een verdacht woord hoort. Dat praatje over die hoes van ‘Hotel California’ staat in een bij ons verschenen boek. Oh, is dat nu ook hier te koop? Nou, dan krijgt de schrijver van dat boek een proces aan de broek. Eerst liet het mij koud, maar nu die leugens hier in Europa weer opduiken, moet ik wel wat doen. Ik pak die vent aan! Hij is een zwakzinnige figuur die beweert dat de Eagles lid waren van die klotekerk van Satan. Het mooiste is dat die Satan op de hoes in werkelijkheid een vrouw is, een zwart fotomodel dat toevallig in de buurt was…”

Dan wordt het tijd voor crisistest nummer 2…

Met duivels genoegen vertel ik hem dat ze in Engeland weinig goede woorden over hebben voor de Westcoast-sound, waar hij een exponent van is. De sound wordt als zwaar verouderd beschouwd. “Wat een onzin”, barst Henley los. Hij spuwt de woorden uit met vulkanische woede. “Er wordt genoeg nieuwe muziek gemaakt in L.A. Er gebeurt een hoop bij ons, in tegenstelling tot in Engeland. Daar komt de laatste tijd toch vooral rommel vandaan. Muziek van mensen met mooie kleren, van die lui die absoluut niet muzikaal zijn. Neem nou zo’n Spandau Ballet, bah, wat een shit. Met alleen een opvallend kapsel ben je er natuurlijk niet als muzikant. Als je een interview met een band als de Thompson Twins leest, dan merk dat die alleen maar over mode kunnen praten. Muzikaal stelt die band helemaal niks voor. David Bowie is een van de weinigen die nog wel oké is, al wordt hij steeds luier. Dat laatste album van hem is ook niet veel bijzonders.”

Het is even stil, dan volgt een nieuwe blikseminslag. “Ach, al dat gelul in die Engelse muziekblaadjes, je word er niet goed van. Weet je wat het met die lui is? Die Engelsen haten alles wat aan ze vooraf ging. Dus moeten ze mij ook niet. Wat geeft het. Ze hebben pas recht van spreken als ze het net zo lang als mij weten vol te houden.”

Opeens zie ik een bejaarde man zitten op dat hotelbed, Don Henley, 37 jaar oud.

In 1994 kwam het bericht dat de Eagles toch weer samen op tournee gaan. Met Joe Walsh op gitaar en Don Henley achter de drums. Hoe is het mogelijk. Is het met de Eagles soms net zo als met Hotel California, waar je hartelijk wordt ontvangen om vervolgens tot de ontdekking te komen dat het niet mogelijk is om te vertrekken? Je zit er levenslang.

SJOERD PUNTER 1994