Cassandra Wilson: Another Country

Categorie:

door Martin Overheul

02-09-2012

Hoewel Cassandra Wilson al in 1980 debuteerde als leadzangeres van de jazz-pop band Jasmine en daarna nog eens zeven albums uitbracht onder haar eigen naam, heb ik haar muziek en wonderbaarlijke stem pas leren kennen met Blue Light Till Dawn, een plaat uit 1993 waarop geslaagde covers stonden van Hellhound On My Trail (Robert Johnson), Black Crow (Joni Mitchell), I Can’t Stand The Rain (Ann Peebles) en vooral Tupelo Honey (Van Morrison). Maar ook het andere materiaal, waaronder twee nummers van eigen hand, bleek dermate boeiend dat ik al snel besloot haar in de gaten te halen. Toen twee jaar later het grandioze New Moon Daughter verscheen, met fluwelen uitvoeringen van Love Is Blindness (U2), I’m So Lonesome I Could Cry (Hank Williams), Harvest Moon (Neil Young) en zo maar even vijf eigen nummers – waarvan A Little Warm Death ronduit groots is -, wist ik dat er hier sprake was van een diva in wording. Sindsdien bracht Wilson enkel albums uit die een dergelijk eretitel ruimschoots rechtvaardigen. Met name haar laatste vier cd’s (Glamoured, Thunderbird, Loverly en Silver Pony) geven blijk van meesterschap, originaliteit, mentale flexibiliteit en vocale souplesse. Cassandra Wilson begon ooit als jazz-zangeres, maar al heel haar carrière lang overschrijdt ze muzikale grenzen door haar muziek te doordrenken met elementen uit de blues, country, pop, rock, funk en wereldmuziek. Op haar nieuwe album Another Country wijkt ze niet af van haar bekende werkwijze. Daarnaast geeft ze deze keer nadrukkelijk de ruimte aan de akoestische gitaar van Fabrizio Sotti, een Italiaans gitaarwonder dat ook acte de présence gaf op Glamoured. Op Another Country mag Sotti met de instrumentals Deep Blue en Letting You Go tweemaal midden in het spotlicht gaan staan en hij doet dat met gratie, klasse en finesse. Die waardeoordelen zijn ook van toepassing op de inbreng van Cassandra Wilson zelf, wier zangpartijen hier van een bijna onaardse schoonheid zijn. Het begint al meteen met Red Guitar dat door de sierlijke accordeonloopjes van Julien Lobro, de subtiele percussie van Mino Cinelu, het kwikzilveren spel van Sotto en de diepbruine stem van Wilson de richting vastlegt voor de rest van het album. Een album dat nagenoeg volledig uit hoogtepunten is opgetrokken. Als er dan al enig voorbehoud aangetekend moet worden, dan is het tegen de elfendertigste versie van O Sole Mio. Niet omdat het een slechte uitvoering is, daarvoor hebben Wilson en haar begeleiders gewoon te veel klasse, maar omdat het wat weggedrumd wordt door het verheven No More Blues en het al eerder genoemde Deep Blue. In tegenstelling tot wat bij haar vorige albums het geval was, kiezen Wilson en medeproducer Sotto ervoor om de muziek ‘klein’ te houden. Geen brede arrangementen en een batterij muzikanten deze keer, maar een beperkte bezetting: Bescheiden percussie in plaats van drums, geen blazers maar een accordeon, amper elektrische versterking. Die benadering werkt niet alleen verfrissend, het zorgt er ook voor dat die wonderbaarlijk mooie stem van Wilson – toch een van de meest uitgesproken stemmen in de hedendaagse jazzmuziek – voortreffelijk omkaderd wordt. Het fluweelzachte When Will I See You Again is daar misschien wel het beste voorbeeld van. In dat nummer zit echt álles op zijn plaats. Zoals er overigens verrekt weinig mis zit op deze cd.


Websites