David Forman

david forman - self titled (1976)

David Forman

14 Jan 2021 door Martin Overheul

Het is 1976, ergens in het voorjaar. Ik woon al een paar jaar in Deurne bij Antwerpen en heb daar een nieuwe vriendenkring opgebouwd. Op vrijdagavond zien we elkaar steevast in jeugdhuis ’t Kelderke, een ruimte die via een brede trap verbonden is aan het parochiehuis van de wijkgemeente waar ik, samen met mijn eerste echtgenote, woon. Op zaterdag is ’t Kelderke voorbehouden aan degenen die willen dansen, op vrijdag is het de verzamelplaats voor degenen die liever praten en luisteren. Een creatieve geest gaat op zoek naar een geschikte benaming voor die avonden en komt met het geestverruimende ‘luisterkroeg’ op de proppen. Het zijn de hoogdagen van de kleinkunst in Vlaanderen, alternatieve zingende mannen met onverzorgde baard en akoestische gitaar en zingende vrouwen met te ijle stem en te lange soepjurk, dus het voorstel wordt op goedkeurend geknik onthaald.

Daar hoor ik het nummer voor het eerst. Dream of a Child van David Forman, een blanke man die gezegend is met een stem met een onmiskenbaar zwart randje. Het is mijn goede jeugdvriend Jan die het singletje gekocht heeft en popelt om ons mee te laten genieten. ‘Dit moet je horen.’ Vier minuten en zestien seconden lang dompelt een volstrekt onbekende liedjesschrijver mij onder in wat ik niet anders kan omschrijven als hemelse schoonheid overgoten met een dikke laag weemoed. Forman, die een poëtische tekst op een langoureuze melodie heeft gezet, is schaamteloos romantisch in een tijd waarin het muzikale oproer begint te kraaien. Hij draait zijn hand niet om voor een viool meer of minder, maar nooit, op geen enkel moment, verdrinkt dit nummer in een overschot aan sentimentaliteit.

Een paar maanden later verschijnt de LP David Forman, gestoken in een sobere zwart-witte hoes met een foto van de zanger centraal in het midden. Op de achtergrond schemert iets dat op een enorme Chinese waaier lijkt. Ik koop de plaat in de beste platenzaak van Antwerpen en kan niet snel genoeg naar huis gaan om ernaar te luisteren. In de tram lees ik de karige informatie op de achterkant van de hoes wel een keer of tien. Zodra ik thuis ben, leg ik de plaat op de pick-up. De LP is sober maar met veel gevoel voor nuance geproducet door Joel Dorn, die eerder samenwerkte met Roberta Flack, Mose Allison, Herbie Mann en Keith Jarrett, en opent met het mij inmiddels bekende Dream of a Child, een soulvolle ballade waarin Forman zingt over het verraad van Elvis Presley die zijn grote liefde Brenda Lee van hem afsnoept.

When I was a boy
I dreamt that Elvis Presley
Was standing on the corner
Kissing Brenda Lee
Mama always told me
Love was made in heaven
So tell me how my best friend
Could steal my love from me

Daarmee legt Forman de lat hoog voor zichzelf, al blijkt meteen dat hij nog veel meer bekoring, hartenpijn, weemoed en schittering te bieden heeft. Zo roept het stijlvolle If It Takes All Night om de stem van Al Green of Smokey Robinson, maar ik neem graag genoegen met die van Forman zelf. Nog zo’n kleinood is Smokey China Tea, waarin de piano een breekbaar spel speelt met de strijkers in het algemeen en de cello in het bijzonder. Ik ben geneigd op de repeat-knop te duwen om nog eens te zwelgen in de bijna filmische wereld die dit nummer oproept, maar dan volgt Endless Waters, een nummer dat tot aan de knieën in de gospeltraditie staat en dat wegzweeft op de klanken van Joe Gentle’s saxofoon.

En het houdt niet op. De b-kant opent met een hartstochtelijke liefdesverklaring voor Rosalie (‘The reason that I am calling you, Rosalie / Is that Shorty said you told him you like me’), dat om sentimentele redenen een extra betekenis krijgt omdat de titel met wat dichterlijke vrijheid aanleunt tegen de naam van mijn eerste echtgenote. Tijd om bij te komen is er niet, want One Fine Day volgt al, drie minuten blue eyed soul in optima forma, tot op eenzame hoogten getild door een sober maar fantastisch koor en aan het eind een paar seconden saxofoon die ondanks, of juist door, die beknoptheid een diepe indruk maken op de 20-jarige jongen die ik ben.

De plaat sluit af met een wonderschoon drieluik dat begint met Winnsboro, Louisiana, een warm bad vol melancholie (‘I remember when I was so young / It was easy to be blind’), waarin de verteller terugkijkt naar een zomer uit zijn jeugd en zich realiseert dat de tijd op niemand wacht. Ik vind het een van de sterkste nummers op de plaat, onder meer door de uitgekiende herhaling van de zinsnede ‘I remember’. Het geheugen dat doet waar het zin in heeft als bewaarplaats voor wat we niet meer kunnen aanraken of vastpakken. Wat hou ik van die weemeod. Na Seven Sisters, een lied als een gedicht (‘Here are all the captured hunters / Who were blinded by your eyes / Here are all the silent singers / Here where love can never die’), sluit het wonderschone Marriage of Napoleon niet enkel het drieluik maar ook de plaat af. Als ik de klik van de pick-up hoor, ontwaak ik uit mijn trance en merk ik pas hoe ontroerd ik ben.

Bijna 45 jaar later. Het leven heeft zo zijn sporen in mijn ziel achtergelaten. Niets is meer vanzelfsprekend, er is veel meer verleden dan toekomst en ik heb onderweg veel moeten afgeven, definitief moeten afgeven. De betere dagen van mijn jeugd, te veel geliefden, vrienden en vriendinnen, mijn gezondheid. Maar de ontroering is gebleven. Op dagen als deze is dat een grote troost.