De Pianist met het Pakje

Sjoerd Punter

Tokkel Imker

De eenzame dood van een gitarist

Foto Sjoerd Punter
Foto Sjoerd Punter

De laatste keer dat ik hem zag, wroette hij in een vuilnisbak. Kijken of er iets in zat. Hij was onherkenbaar veranderd. Niet langer een snelle jongen met een mooie gitaar, maar een vadsige zwerver die gehuld in lompen door het leven ging. Zondag 4 februari 2001 werd hij dood aangetroffen in Assen. Het was het einde van een bijzondere gitarist die maar kort heeft geschitterd. Vijftien jaar na zijn eenzame dood staat Tokkel Imker echter weer in het middelpunt van de belangstelling. Zijn totale oeuvre bestaat uit slechts één single. ‘Train of doomsday’, een nummer uit 1969 over het einde der tijden, wordt door een Amerikaanse liefhebber omschreven als wonderful dutch trash madness. Het plaatje is een collectors item waar hoge bedragen voor worden betaald. Het onafhankelijke label Milkcow Records bracht ‘Train of doomsday’ in januari 2016 opnieuw uit. “Over de hele wereld is vraag naar deze plaat”, zegt Peter Kroes van Milkcow Records. “Niet alleen uit Europa, maar zelfs in landen als Japan en Costa Rica zijn de liefhebbers er naar op zoek. Voor ons is dit de heilige graal.”

Tokkel Imker was sologitarist van The Sound of Ymker, een woeste band uit Assen die eind jaren zestig de podia teisterde met tamelijk eenvormige garagerock. Je zou het ook vroege punk kunnen noemen, maar dan moet je wel je oren sluiten voor de solo’s van Tokkel Imker. Hij had zigeunerbloed in de aderen, kon geen noot lezen en ook niet twee keer hetzelfde spelen, maar zijn solo’s hadden wel een wonderbaarlijke schoonheid. Het middengedeelte van ‘Train of doomsday’ toont dat in volle glorie. Tokkel Imker begint te soleren met een mooie melodie, zingend op zijn gitaar, om dan over te gaan op een heftige uitbarsting van rauwe geluiden. De rest van de band had muzikaal niet veel in huis, maar zorgde wel voor een adequate begeleiding.

The Sound of Ymker heeft maar kort bestaan, nog geen twee jaar, maar zorgde in die tijd voor heel wat opschudding. De band had een act, waarbij de in het wit geklede zanger met een mes in de hartstreek werd gestoken en bloed alle kanten opspatte. Alleen was het geen bloed, maar met water aangelengde rode verf die uit een lek geprikte ballon spoot. Het was een act die er behoorlijk inhakte en regelmatig voor flauwgevallen toeschouwers zorgde. In 1969 kreeg de band van Philips de mogelijkheid om een single op te nemen. De A-kant was ‘Train of doomsday’, een nummer van Remco Imker, de broer van Tokkel, die vrijwel het gehele repertoire voor zijn rekening nam. Het plaatje werd wel geperst, maar nooit uitgebracht. De leiding van Philips vond het walgelijke muziek. De band kreeg twee doosjes met singles mee. Bijna niemand had er belangstelling voor, dus werden de singles, die nu per stuk een paar honderd euro waard zijn, gebruikt als frisbees. Niet veel later was het afgelopen met The Sound of Ymker. Tokkel en zijn broer bekeerden zich tot een ander leven, en meldden zich aan als Jehova’s Getuige, het geloof van hun moeder. Erg lang duurde de flirt niet. Tokkel gaf al vrij snel de brui eraan. Hij pakte zijn gitaar weer op, en ging optreden met Herman Brood. Ook dat duurde niet lang. Voortaan was Tokkel alleen nog thuis te bewonderen. Daar speelde hij de mooiste solo’s. Alleen om te eten legde hij zijn gitaar even opzij.

Ik heb Tokkel Imker goed gekend. Ging wel eens op stap met hem. Op een avond belandden we via de achterdeur in een verpleeginrichting in Assen. We namen elk een verpleegster onder handen. Tokkel op het ene bed, ik op het andere. Het werd niks met het meisje met de prachtige borsten en de lekkere lange benen, maar Tokkel bleek de vrouw van zijn leven te hebben gevonden. Ze heette Rian en zag er fris en onbedorven uit. Kon zo model staan voor een zeepreclame.  Ze gingen samen wonen en kregen twee kinderen. Uiteindelijk liep het huwelijk op de klippen en was er voor Tokkel Imker nog maar één keus: richting de uitgang. De begaafde gitarist ging verder als een straathond, hopeloos verslaafd aan de drank. Slijterij Götz in de Oudestraat in Assen werd zijn vaste leverancier. De slijter vertelt dat Tokkel soms wel acht keer op een dag langskwam om een fles wijn in te slaan. “Voor sluitingstijd kwam hij altijd langs om een paar flesjes voor de nacht op te halen.” Volgens Tokkel was wijn goed voor de mens. “Er zitten veel vitaminen in.”

Bedelen was zijn beroep. Hij stak zijn hand uit en sprak: “Hej ’n guld’n voor mij.” Die duizenden malen herhaalde zin leverde voldoende geld om het zaakje binnenin draaiende te houden. Zes keer per week stond Tokkel ’s morgens om half acht bij de slijter voor deur: elke dag de eerste klant. Hij ging ook iedere dag langs bij Beppie Brood, de moeder van Herman, om een gulden op te halen. De vaste bedelplek van Tokkel was voor de HEMA in Assen. Wanneer de inzameling niet snel genoeg tot resultaat leidde, ging Tokkel het warenhuis binnen om toe te slaan op de parfumerie-afdeling. Eau de cologne, aftershave, eau de toilette – alles was goed om de brand te blussen.

Herman Brood heeft nog een poging gedaan om Tokkel te redden. Hij kreeg vaak het verwijt dat Tokkel door hem op het verkeerde pad was geraakt. “Die verantwoording wil ik best nemen, maar ik voel me nergens schuldig over”, zei Herman Brood in een documentaire van RTV Drenthe over het leven van Tokkel Imker. “We hebben alleen maar leuke dingen met elkaar meegemaakt. Tokkel had in die tijd absoluut niets met drugs. Hij was een goede vriend en heel puur als muzikant. Ik hield van hem. Ik heb hem nog een keer meegenomen naar Amsterdam. Dat was een heel leuke treinreis. In twee minuten hadden we de wagon leeg gepest. Tokkel stonk nogal. In Amsterdam heb ik de kleren die hij aanhad met een stanleymes los gesneden. Het was een soort harnas van karton. Ik heb een nieuw pak voor hem gekocht, maar hij voelde zich daar ontzettend onwennig in. Zonder twijfel had hij definitief gekozen voor een zwervend bestaan. Dat had ook wel wat. Hij hoefde geen concessies te doen en kon precies zeggen wat hij wilde.”

Tokkel Imker sliep jarenlang in een schuurtje op het Veemarktterrein in Assen. Daar kwam de 52-jarige zwerver in de nacht van 3 op 4 februari 2001 ook aan zijn eind. Hij zou volgens de verhalen zijn doodgevroren, maar dat klopt niet. De temperatuur was die nacht rond het vriespunt. De werkelijke oorzaak was een verwaarloosde operatiewond. Op 8 februari werd Tokkel Imker de oven ingeschoven van het crematorium De Boskamp. De kist was vooraf onder grote belangstelling door het centrum van de stad gedragen. Herman Brood was overgekomen uit Amsterdam en vertelde dat hij grote bewondering had voor de twee dochters van Tokkel Imker. “Zij moesten het doen met een gekke papa. Ik kan het weten. Mijn kinderen moeten het ook doen met een gekke papa.” Herman moest iets wegslikken. “Nu stop ik,” stamelde hij, “Anders ga ik huilen.” Een half jaar later was Herman zelf aan de beurt.

SJOERD PUNTER 2001/2016