De Pianist met het Pakje

Sjoerd Punter

Herman Brood

De Pianist met het Pakje

Foto: Sjoerd Punter
Foto: Sjoerd Punter

Op een dag las ik in de krant een opmerkelijk bericht. Het ging over een weduwe die voortijdig was ontwaakt uit haar middagslaapje omdat er beneden in de woonkamer iemand zat te improviseren op de piano. Het vermoeden was dat het om een inbreker ging, want er was een setje zilveren lepels verdwenen. De politie zei dat ze de zaak onderzochten, maar ik had wel een idee wie de dader was. Het kon eigenlijk niet anders: dit moest Dokter Brood zijn. Niet zo lang geleden was hij neergestreken bij ons in Assen, in de ene hand zijn apotheek, in de andere de tas met hete bladen. Herman Brood was in die tijd alleen in kleine kring bekend als de pianist met het pakje. Hij had enkele jaren doorgebracht in het Duitse nachtclubcircuit. Daar had hij de speed ontdekt, het krachtpoeder dat zijn leven de komende dertig jaar in een duizelingwekkende stroomversnelling zou brengen en hem deed eindigen als een futloze patiënt in een poepluier.

Hij kwam voor het eerst in de publiciteit toen Cuby & the Blizzards hem aantrokken als pianist. Erg hip was Herman niet in die dagen: zo verplaatste hij zich op bruine suède schoenen, die wij bordeelsluipersnoemden. Deze schoenen werden vooral door middelbare scholieren gedragen, vaak gecombineerd met een houtje-touwtjejas. Herman, het hoofd diep in de schouders, maakte een tamelijk schuchtere indruk, niet echt het podiumbeest dat hij later werd. Maar het was toch best jammer dat hij in 1967 uit de band werd gedirigeerd vanwege gedoe over drugs. Een afvloeiingsregeling zat er niet in. Daar deden de Blizzards niet aan. Later zou Herman nog even terugkeren in de band, maar dat was toen al een aflopende zaak. Slaggitarist Hans Kinds, die bekend stond als zuunig, was inmiddels ontslagen omdat, zo werd beweerd, hij in het café geen rondje wilde geven.

Herman vertrok naar Israël en scheen daar enige tijd in een kopermijn gewerkt te hebben. Ik weet niet of het waar is, maar hij zal het er in ieder geval vast niet erg lang hebben uitgehouden. Herman keerde terug naar Nederland en ontwikkelde zich tot een bekende verschijning in duistere kringen. Hij spoot twee gram amfetamine per dag, liet bij kennissen en leveranciers een spoor achter van verbogen eetlepels met een geblakerde achterkant. De profs moesten vreselijk lachen om zijn onhandige acties als de nood hoog was. Hij kwam een keer bij mij aan de deur met een hulpeloze blik in de ogen en een paar gestolen schoenen, de ene schoen maat 43, de andere maat 45. Een andere keer had hij een twee meter lange luxaflex in de aanbieding. Regelmatig werd Herman gearresteerd. Het was natuurlijk ook niet slim dat hij om drie uur ’s nachts, voorzien van een zonnebril, door het centrum van Groningen wandelde met onder zijn arm een kostbare elektronenmicroscoop die hij zojuist na een inbraak had meegenomen uit een universitair instituut. Uiteraard werd hij opgepakt. In de cel deed Herman dan zijn gebruikelijke act, een improvisatie op het thema stervende zwaan met veel gerochel & stuiptrekkingen, waarna de geschrokken agenten hem snel afvoerden naar een psychiatrisch ziekenhuis in de buurt. Hij bleef daar nooit erg lang. Hij was meer het type voor ambulante verpleging, bij voorkeur door het dichtstbijzijnde meisje. Meestal stond er wel eentje klaar met vochtige lippen, klaar voor ‘n kortdurend reisje naar de hemel, daarna niet zelden getrakteerd op vreemde gewaarwordingen in het kruis. De persoonlijke hygiëne van Herman liet namelijk nogal te wensen over. Toch bleef hij onweerstaanbaar voor de dames. Hij mocht dan de rug hebben van iemand die te lang achter de piano heeft gezeten en ook een probleem hebben met de stand van zijn ogen, Herman had altijd ruim keus.

Ik stond ervan te kijken dat de man die plattelandsapotheken beroofde en proletarisch winkelde op een gegeven moment toch werd aangenomen als werknemer van de Eerste Drentse Nachtveiligheidsdienst.Het dienstverband duurde slechts één nacht en betrof de bewaking van een geheel verlaten aardgaslocatie in Beilen. Ik ging die nacht even kijken. Herman bleek in het kantoortje bij de ingang met open gulp bezig te zijn met het bestuderen van zijn collectie blote bladen. Hij had het libido van een bronstige olifant. Op het afscheidsconcert van de Blizzards op 9 juni 1973 in Assen was Herman uiteraard ook aanwezig. De afterparty was buiten, want het was een fraaie zomeravond. Op een gegeven moment zag ik Herman in het struikgewas duiken met een meisje dat hij even tevoren had gescoord. Herman was een voorstander van een directe aanpak. Vijf minuten later opende het struikgewas zich weer en verscheen Herman in beeld met het uiterlijk van iemand die erg veel haast heeft, even later gevolgd door het meisje. Haren in de war, verbijsterde uitdrukking op haar gezicht. Ze leek getroffen door een windhoos. Dit was duidelijk te snel gegaan. Af en toe informeerde zo’n meisje bij mij waarom Herman opeens deed alsof ze niet meer bestond. Eentje knoopte in het café haar bloesje open. “Zijn dit soms geen mooie tieten?” Reken maar. Het waren altijd lekkere wijven, ruim bedeeld. Natuurlijk konden die niet begrijpen dat ze werden afgewezen. Wat moest ik zeggen? Ze wilden ongetwijfeld niet horen dat ze alleen maar een snelle speedwip waren, geilheid uit een klein wit envelopje.

Op een gegeven moment zagen we Herman in actie als barkeeper in Café Spoorzicht te Assen, een doorleefd etablissement dat betere tijden had gekend en nu voornamelijk werd bezocht door luide types met rode koppen van de jonge jenever, aangevuld met enkele psychiatrische gevallen uit een naburige inrichting. Soms zat er ook een verdwaalde handelsreiziger aan de bar. De eigenaar van dit merkwaardige café was Ome Joop, de vader van Herman. Hij was een alcoholist die niet meer dronk. Het aanbod van zijn zoon om de bardiensten over te nemen kwam natuurlijk als geroepen. Ome Joop had altijd met ontheemde blik achter de bar gestaan, schonk drank met de onverschilligheid van een pompbediende. De ruwe scherts van zijn gasten maakte hem alleen maar droeviger. Ooit had hij in Zwolle leiding gegeven aan een eigen bedrijf. Door drankzucht was hij dat kwijtgeraakt. Daarom moest Ome Joop nu de glazen volschenken van de mannen van het woonwagenkamp, ruwe kerels, die hun eigen naam niet konden schrijven. Dit waren echte bad guys, voortdurend verwikkeld in duistere handeltjes en ook nog eens vuurwapengevaarlijk. Als je van hen een auto kocht, kon je maar beter eerst onder de motorkap kijken, want het zou niet de eerste keer zijn dat deze mannen er in slaagden een auto zonder motor te verkopen. Tante Beppie, de moeder van Herman, zorgde voor de stamppot met draadjesvlees, een gerecht dat ze niet kwijt kon aan haar zoon. Die hield vooral van slagroomgebak en gele vla.

Op z’n eerste dag achter de bar maakte Herman meteen duidelijk wie hier voortaan de lakens uitdeelde. Met vastberaden pas stevende hij af op de jukebox en verwijderde het in neptranen gedrenkte repertoire van Johnny Hoes en consorten. Op deze muziek waren de mannen aan de bar dol. Jammer. Voortaan moesten ze het doen met actuele werkjes van onder meer The O’Jays (‘Back stabbers’) en James Brown (‘It’s a man’s world’). Niemand tekende protest aan. De verbazing was groot. De loensende barknecht kon een glimlach niet onderdrukken toen hij de smartlappen in de afvalemmer deponeerde. Vulde vervolgens met een machtige zwaai een kelkje met een giftig groen likeurtje, beter bekend als Pisang Ambon. Het spul zag er dodelijk uit, maar ging in een teug naar binnen. Er steeg nog net geen applaus op, maar het was duidelijk dat Herman Brood helemaal was geaccepteerd. Het was een opmerkelijk moment in de geschiedenis van Café Spoorzicht. Het had ook heel anders kunnen gaan. Voor hetzelfde geld hadden ze de kunstartiest met z’n geverfde haar kapot geschopt, helemaal kapot zelfs, want zo waren deze mannen wel. Op de paardenmarkt in Rolde hadden ze hun eigen vader doodgetrapt. Gewoon een kwestie van een paar pilsjes te veel.

Soms, als het echt niet anders kon, sliep Herman. Hij deed dat boven het café, altijd naast zijn piano. Uiteraard met voldoende vrouwen binnen handbereik, hij had een koffer vol onder z’n bed. Voor het slapen gaan, nam hij een stimulerend spuitje, anders kwam ie de volgende dag het bed niet meer uit.

Ook in die moeilijke tijd dat hij helemaal aan de grond zat, verloor Herman nooit het geloof in zijn muziek. Zodra hij vrij had, nam hij de trein naar Groningen. Geld voor een kaartje hield hij liever in zijn zak. Een boze conducteur liet een keer de trein stoppen, waarna de hardnekkige zwartrijder ver van de bewoonde wereld in een weiland met belangstellend toekijkende koeien werd afgezet. Hij moest maar verder lopen. Het is niet toevallig dat ‘Going to the city’ een nummer is dat Herman diverse malen op de plaat heeft gezet. Hij speelde het ook vaak live. De stad, dat was zijn jachtterrein. Hij haalde er zijn dope en vond er zijn vrouwen. Er was nog om derde reden waarom hij steeds weer de trein nam. Je had in Groningen een uitgebreid nachtleven met veel mogelijkheden om op te treden. Op die manier kon hij het geld verdienen dat nodig was voor dope en drank. In no time ontwikkelde Herman zich tot een echte performer, niet langer alleen maar een onopvallende man achter de piano. Een echte zanger zou hij echter nooit worden. Rond 1974 was het tijd geworden voor een eigen groep, die de Flash & Dance Band zou gaan heten. Sjoerd van der Duim was de beoogde zanger. Herman kende hem nog van zijn tijd bij The Moans, een band uit Arnhem met een zwaar dopeverleden. Van der Duim bleek echter ruim over de uiterste houdbaarheidsdatum. Herman besloot toen zelf achter de microfoon plaats te nemen, een belangrijke eerste stap naar wat hij later zou worden. In de Mirasound Studio in Amersfoort werd het album ‘Showbiz blues’ opgenomen. De plaat werd uitgebracht in 1975 en kreeg nauwelijks aandacht: er werden slechts zevenhonderd exemplaren van verkocht. Op ‘Showbiz blues’ staan twee nummers die Herman Brood samen met zijn vriend Pé Hawinkels schreef. Deze begaafde literator en vertaler van onder meer Thomas Mann woonde in Nijmegen, maar kwam vaak met zijn supersnelle auto met wankelmotor over naar het Noorden. Hij zou ook teksten bijdragen aan latere albums van Herman. Aan de samenwerking kwam in 1977 abrupt een eind toen Pé Hawinkels dood werd aangetroffen achter zijn bureau, met voor zich de krant van 16 augustus, de dag dat Elvis Presley overleed. Een ideale dag om te sterven.

‘Showbiz blues’ was zeker geen opvallend debuut, maar Herman Brood was in elk geval weer onderweg. Al gauw zou hij niet meer te stuiten zijn. Met ‘Shpritsz’, een album dat in 1978 uitkwam en daarna bijna een jaar in de top 100 stond, leverde hij een klassieke plaat af. Daarna zou hij nooit meer dat muzikale niveau halen. Herman kreeg het wel steeds drukker met zijn status van Bekende Nederlander die heel aardig kan schilderen, hij verfde met verve, maar het lukte nooit om zijn grootste wens te realiseren: een tentoonstelling in het Stedelijk Museum van Amsterdam.

De tijd dat Herman rond kon komen van vijftig gulden (de prijs van twee gram speed) was allang voorbij. In z’n nieuwe leven ging het vaak richting bordelen en casino’s. Volgens het management een kostenplaatje van minstens duizend gulden per dag. Daarom moest de productie van schilderijen flink worden opgevoerd. Geen enkel probleem voor Herman, hij hield van snel werken. Spuiten maar. Veel rood en blauw, kleuren die hij niet zag omdat hij kleurenblind was. Hij bleef in het clubcircuit optreden met ’n bandje, als vanouds bijgestaan door Koos van Dijk, de allround regelaar uit Winschoten. Vanwege zijn bijzonder energieke en daadkrachtige optreden heb ik de manager er wel eens van verdacht de echte oorzaak te zijn van de aardbevingen in Groningen.

In de jaren negentig begon de neergang van Herman zichtbaar te worden voor de buitenwereld. Steeds vaker zag je hem ronddwalen in de verkeerde programma’s en leek hij nog doder dan de vorige keer. Toen ik Herman zag verschijnen met een papegaai op de schouders, zag ik de bui al hangen. Dit was een aflopende zaak. Triest om te zien. Misschien was het beter dat Herman, net als Tommy Cooper, ging sterven op het podium, wegzwevend in een wolk van aanzwellend applaus, maar zo lang kon hij niet wachten. Op een bijzonder winderige dag in de zomer van 2001 begaf Herman zich naar het Hilton in Amsterdam, bestelde een Grand Marnier en raadpleegde de Telegraaf voor het laatste nieuws. Toen stond hij op en begaf zich naar het dak van hotel. Hij sprong de leegte in en viel als een vogel met verlamde vleugels. ’s Avonds was Herman op alle netten. Jammer dat hij het zelf niet kon zien.

SJOERD PUNTER 2001