Eric Taylor, achtervolgd door de dood

taylor1

23 Mar 2020 door Sjoerd Punter

De dood zat Eric Taylor al jaren op de hielen. De Texaanse singer-songwriter overleefde diverse hartaanvallen en beroertes, in 2010 gevolgd door een viervoudige bypass. Voor elk optreden moest Taylor diep in een potje met pillen duiken. Op 9 maart kwam er een eind aan zijn leven, dat met vallen & opstaan zeventig jaar had geduurd.
Eric Taylor was een legendarische figuur die bijna niemand kende. Alleen echte liefhebbers waardeerden deze hardcore singer-songwriter die er niet over peinsde om concessies te doen. Taylor kon, zonder dat de verveling toesloeg, een avond vullen met alleen maar zijn doorleefde stem, zijn subtiele gitaarspel en zijn songs. Eigenlijk was hij niet van deze tijd. Taylor schreef zijn songs namelijk op een typemachine uit 1939. Een typemachine? Jazeker, zo’n ijzeren geval dat het altijd doet. Ook op het gebied van vervoersmiddelen was hij tamelijk behoudend. Hij reed rond in een replica van de auto waarmee destijds de schrijver Jack Kerouac ‘on the road’ ging, een Mercury model 1949. Het boek van Kereouc over twee vrienden die door Amerika reizen, was de bijbel van de Beat Generation: altijd onderweg en nooit arriveren, op de vlucht voor een burgerlijk bestaan. ‘On the road’ sprak ook Taylor aan. Een van zijn songs gaat over Dean Moriarty, een van de twee hoofdfiguren uit het boek van Kerouac. Ook in andere songs toont Taylor een duidelijke voorkeur voor mensen die ver buiten de gebaande paden opereren. Waarschijnlijk was het ook zijn eigen biotoop. Het is geen wonder dat op zijn laatste album ‘Studio 10’ uit 2013 twee songs staan die Jim Tully als onderwerp hebben. Tully was een legendarische Amerikaanse schrijver en bokser die lange tijd tussen zwervers leefde en daarover markante boeken schreef.
Taylor groeide op in een gezin, waar de vader een hardvochtige racist was. Dus een rotjeugd. Niets aan te doen. Daarna kwam de oorlog in Vietnam, waar hij vocht tegen de Vietcong. Ook niet fijn. Toen arriveerden de drugs en die sloegen hard toe. Heroïne en amfetamine. Kilo’s. Met als resultaat diepe groeven in het gezicht van Taylor, het gezicht van een man die na bijna vijftig jaar in de muziek geen enkele behoefte meer heeft aan schone schijn. De songs van Taylor zijn zorgvuldig gemodelleerde meesterwerkjes, met eindeloos geduld gebeiteld in imaginair marmer. De teksten waren er het eerst, daarna kwam de muziek. Voor de literair ingestelde Taylor was dat de juiste volgorde. Zijn teksten beginnen doorgaans als korte verhalen, vaak op basis van observaties. Vervolgens wordt er gestreept en geschaafd tot alleen de naakte essentie overblijft. Het gaat in die teksten nooit over klein verdriet en het gebruikelijke gelul dat voer is voor psychologen. Niets over zijn vier echtscheidingen. En ook heel weinig over hemzelf, want Taylor was niet erg tevreden over wat hij zag als hij in de spiegel keek. “I know who I am and I probably would not invite myself into my own house.”

Eric Taylor kreeg de gitaar onder de knie door veel te kijken. Kijken naar Lowell George, Fred McDowell en Dave Van Ronk. Maar hij was vooral geïnteresseerd in de fijnzinnige manier van gitaarspelen van Lightnin’ Hopkins, de grote vernieuwer van de Texaanse folkblues. Op een gegeven moment viel het Hopkins op dat er steeds een jonge man voor het podium stond die nauwlettend de bewegingen van zijn vingers in de gaten hield. Toen Hopkins hierover een opmerking plaatste, antwoordde Taylor: “Lightnin’, how am I going to learn anything if I don’t watch your fingers?” Waarop de bluesman zei: “You can put your fingers anywhere I put them on this guitar, and you ain’t going to be me. Watch the strings.” Een andere belangrijke invloed kwam van Tim Hardin, eveneens een Vietnamveteraan en schrijver van tijdloze songs die hij op een hypersensitieve manier vertolkte. Hardin besmette Eric Taylor niet alleen met zijn muziek, maar ook met een monkey on his back, het injecteren van poeders die machtiger zijn dan jezelf. Tim Hardin overleed in 1980 door een overdosis, 39 jaar oud. Eric Taylor zag de dood ook in het gezicht, maar weigerde de laatste stap te zetten. In 1983 kapte hij met de drugs. Het kon ook niet anders. “I was dying”, vertelde Taylor. “There wasn’t anything left.” Toen hij dan eindelijk clean was, schoof hij de muziek voor een tijd opzij en veranderde in een gemotiveerde drugshulpverlener. Het zou veertien jaar duren voordat Taylor na zijn debuut in 1981 met een nieuw album zou komen.

Taylor wordt nog wel eens vergeleken met literaire grootheden als Cormac McCarthy en Raymond Carver, maar dat is niet terecht. Taylor beoefent een andere tak van sport. Literatuur is om te lezen, songs zijn om naar te luisteren. Op papier verbleken goede songs vaak, ze komen pas tot leven als ze op de juiste manier worden gezongen. Het schrijven van een goede song is dan ook iets heel anders dan het schrijven van een goed boek. “Je moet niet teveel willen uitleggen in een song”, verklaarde Taylor desgevraagd. “You have to leave space in the song for the listener to participate.” Dit uitgangspunt maakt dat zijn songs niet altijd even duidelijk zijn en op sommige momenten zelf duister, maar dat komt de spanning binnen de tekst alleen maar ten goede. Van een writer’s block, een gevreesd verschijnsel in schrijversland, had Taylor geen last. “Ik vind het belachelijk als schrijvers dat als excuus aanvoeren. Als je een loodgieter belt, zegt die toch ook niet: Ik ben vandaag niet zo in vorm.”
Ik zag hem voor het laatst in 2014, toen hij in Eindhoven zijn zoveelste Nederlandse tour afsloot. Het was een beetje een rampdag voor Taylor, want de reis van Amsterdam naar Eindhoven had vier uur geduurd. Haastje-repje een sushibar binnen, en hup het podium op. Daar kwam nog eens bij dat de grote man uit Texas problemen had met zijn stembanden. Hij kuchte en rochelde erop los, maar voor de hardcore fans versterkte de gewonde stem natuurlijk alleen maar de authenticiteit van het geheel. Toch zat de stemming er bij Taylor goed in. Hij strooide tussen de nummers met uitvoerige hilarische verhandelingen waarbij hij regelmatig om zichzelf moest lachen. Het nummer ‘Tractor song’ van zijn comeback-album uit 1995 leidde hij in met de woorden: “Ik schreef dit voor Johnny Cash die mijn stem heeft gestolen. Cash vertelde me dat hij mijn song wel zag zitten. Ik maakte de fout om te vragen: waarom? Hij zei: It’s got my name on it.” Opnieuw had Taylor de lachers op zijn hand. Organisator Ad van Meurs omschreef het optreden na afloop treffend als een ‘oefening in geduld’. En dat was het. De avond voltrok zich in het tempo van een trekschuit, maar het was wel een trekschuit waar het goed toeven was.

Foto's: Ronald Rietman