De Pianist met het Pakje

Sjoerd Punter

Harry & Eelco

Het droevige einde van een Magisch Duo

Sjoerd Punter
Sjoerd Punter

Ik ontdekte de blues in het begin van de jaren zestig op een tochtig zoldertje boven bloemkolen, appels en peren. Een vriend, zoon van een Groningse groenteboer, had daar een mono-geluidsinstallatie staan die een tamelijk wrak geluid produceerde. Heerlijk, dat geluid. We zaten op dat zoldertje regelmatig te luisteren naar nieuw vinyl. Op een goede dag kwam mijn vriend aanzetten met de registratie van het American Folk Blues Festival 1962. Dat was een aangename verrassing, iets heel anders dan wat er doorgaans op de radio was. Voor het eerst hoorden we Memphis Slim, John Lee Hooker, T-Bone Walker en Brownie McGhee. In 1964 zag ik in de Houtrusthallen in Den Haag voor het eerst Sonny Boy Williams, Lightnin’ Hopkins en Howlin’ Wolf aan het werk. Real stuff. Dit was muziek die diep van binnen kwam, muziek waarvan je intuïtief voelde dat die ertoe deed. We beseften toen nog niet hoe het eraan toeging in de Mississippi-delta, het gebied waar de blues werd geboren. Kenden niet het verhaal van Emmett Till, een 14-jarige zwarte jongen uit Chicago die in augustus 1955 in een oerconservatief zuidelijk dorpje werd vermoord omdat hij een arm zou hebben gelegd om de heup van een blanke meisje. Kon absoluut niet. Zijn moeder had Emmett nog zo gewaarschuwd: “Als je moet knielen wanneer een blanke voorbijkomt, doe dat dan maar.” Drie dagen later werd het lijk van Emmett Till opgevist uit de Tallahatchie De dader was de vader van het blanke meisje en een broer. Beiden werden door een blanke jury vrijgesproken. De behandeling van de zaak had nauwelijks een uur in beslag genomen. Later zou blijken dat Emmett de heup van het meisje helemaal niet had aangeraakt. Hij was onschuldig, net als vele andere mannen die nog niet eens zo lang geleden werden gelyncht met als enige reden dat ze een zwarte huidskleur hadden.

De muziek uit het gewonde zwarte hart van Amerika maakte grote indruk op ons. We waren meteen om. Twee jaar later vernamen we dat er in Assen ook een bluesband actief was. We hadden in de krant een foto gezien van de zanger. Uiteraard zwart-wit. Alles was zwart-wit in die dagen. De zanger had het uiterlijk van iemand die ternauwernood uit een concentratiekamp was ontsnapt. Het leven was voor hem geen pretje. Dat zag je zo. We namen de trein naar Assen. Een half uur later liepen we naar Boele Geerts, de zaal waar Cuby & The Blizzards zouden optreden. Het was zeer rustig op straat. Zaten de mensen soms allemaal in Boele Geerts? Dat bleek niet het geval. Er konden nog best wel wat liefhebbers bij in het bescheiden zaaltje aan de Groningerstraat. De rest van de avond ging als in een droom voorbij. We zagen een zanger met een rauw, diep doorleefd geluid. Af en toe liet hij oerkreten los. Naast hem opereerde een verfijnde stilist met een gitaar die hij smartelijk liet kreunen. De Drentse blues hakte er behoorlijk in bij ons. Algauw kwamen we tot de conclusie dat hier een Magisch Duo stond. Voortaan gingen we naar ieder optreden van Cuby & The Blizzards bij ons in de buurt. We zochten Harry ook op in z’n kamer aan de Collardslaan in Assen, een stapeltje nieuwe bluesplaten onder de arm. Volgens mij droeg Harry in die tijd nog een houtje-touwtjejas, een serieuze jongen met iets te lang haar en holle wangen.

In 1965 kwam de eerste single van de Blizzards uit. ‘Stumble and fall’ klonk alsof het in een badkamer was opgenomen met een doodzieke microfoon. Harry en Eelco reisden per trein naar Groningen om op een zaterdagmiddag hun plaatje te laten horen in koffiehuis Adam Appel, een verzamelpunt van artistiekelingen, dat was gevestigd in een voormalige arbeiderswoning aan het Boterdiep. Uiteraard was iedereen behoorlijk onder de indruk. Een singletje stelde in die dagen nog iets voor, ook al was de kwaliteit nog zo matig. Een jaar later las ik dat Eelco was ontslagen als fotograaf van de Drentsche en Asser Courant. Het haar van Eelco was blijkbaar ‘te lang’. Harry, die daar werkte als corrector, was solidair en nam ontslag. Niet veel later hoorde ik dat de krant uit Assen een leerling-journalist zocht. Dat was mijn kans om te penetreren. Ik stopte met studeren, meldde me aan en werd aangenomen. Binnen een jaar had ik langer haar dan Eelco Gelling ooit had gehad. In diezelfde tijd kwam ‘Desolation’ uit, het eerste album van Cuby & The Blizzards. Het was heel wat beter opgenomen dan dat eerste singletje, al was Harry er niet helemaal tevreden over. Dat was hij meestal niet. ‘Ginhouse blues’ was voor mij het beste nummer van dit eerste album, huiveringwekkend goed. Harry gaf alles, braakte verdriet en wanhoop uit: ‘Stay away from me everybody’, een zin met tien uitroeptekens. Ook nu klinkt dit nummer nog even authentiek als toen ik het voor het eerst hoorde. Met ‘Window of my eyes’ en ‘Somebody will know someday’ het artistieke hoogtepunt van het magische duo. Moeilijk te overtreffen, zoals later zou blijken.

In de jaren die volgden leerde ik Harry en Eelco beter kennen. Het waren zeer uiteenlopende types. Harry was een impulsieve binnenvetter, een man die net als het Nederlandse weer van het ene op het andere moment ingrijpend kon veranderen. Zijn gedrag was onvoorspelbaar. Hij zag zichzelf graag als een loner, eenzaam dwalend over de hei met een hond als enige vriend, maar ook een Drent onder de Drenten. Hij groeide op in Assen en werd begraven in Rolde, zes kilometer verderop. In een interview vertelde Harry mij dat hij er niet zo van hield om mensen om zich heen te hebben. “Alles wat niet nodig is moet weg. Ik beperk de omgang met andere mensen het liefst tot een minimum.” Toen Harry in 1972 helemaal aan de grond zat en bij mij kwam wonen, bleek hij wel degelijk behoefte aan gezelschap te hebben. Hij deed ook helemaal niet moeilijk, stelde zich sociaal op. Hij was in die tijd actief voetballer in het zevende van Achilles, een ouwe-lullenteam met een hoog alcoholpercentage. Wedstrijden van Ajax, dat in die tijd iedereen op superieure wijze van de mat speelde, volgde Harry voor de kleurenbuis in volledig tenue, bestaande uit een strakzittend voetbalbroekje en een Achilles-shirt. Uiteraard had hij voetbalschoenen met flinke noppen aan. Een wedstrijdbal lag klaar. Soms wond Harry zich zo op dat ik bang was dat hij de bal door het beeldscherm van mijn dure kleurenteevee zou jagen. Na een jaar bij mij gebivakkeerd te hebben, verdween hij zomaar. Een half jaar hoorde ik helemaal niets en zag ik hem ook niet op de gebruikelijke plekken. De kamer van Harry met uitzicht op een scholengemeenschap had ik inmiddels ontruimd, want het rook daar niet fris. Harry had zijn beddengoed namelijk nooit ververst. Op een avond stond hij opeens weer voor de deur. Hij gaf geen verklaring voor zijn afwezigheid en keek vreemd op toen hij zag dat zijn kamer was ontruimd. Woest beende hij weg. Natuurlijk kwam het weer goed. In 2001 reisde Harry naar Eindhoven om mijn verhalenbundel ‘De geur van verse mango’s’ te presenteren. Zo was hij ook: op een vreemde manier toch trouw.

Eelco was een ander verhaal. Toen ik uit Assen was vertrokken en weer in Groningen woonde, kwam ik regelmatig over en logeerde dan tien hoog bij hem. Eelco was een goed gastheer. Rond een uur of twee ’s middags maakte hij een lekker ontbijtje klaar en nam daarna terstond de gitaar ter hand terwijl de middag langzaam voorbij dreef. Je moest er niet vreemd van opkijken dat er een tropisch vogeltje door de kamer vloog. Eelco was namelijk van mening dat een kooi een open deurtje moest hebben. Misschien zag hij zijn eigen leven ook wel zo: als een gevangene die af en toe moest ontsnappen. En dat deed hij dan ook met verve. Ik belandde eens met hem in Nijmegen. Hoe dat precies kwam, weet ik niet meer, maar het had met groupies van de Golden Earring te maken. Na een dag hield ik het voor gezien. Een paar dagen later belde Ria, de partner van Eelco, mij op. Of ik wist waar hij was? Nee, dat wist ik niet. Toen Eelco al een week spoorloos was, belde Ria opnieuw op. Ze was thans erg ongerust. Terecht natuurlijk. Ik heb haar toen verteld hoe het zat. Ze wist meteen bij welke groupie Eelco was ondergedoken. “Dat kutwijf! Die is ’s nachts een keer bij ons binnengedrongen. Die stond zomaar voor ons bed.” Eelco was zeker niet het gehoorzaamste jongentje van de klas. Hij reed, net als Harry, rond zonder rijbewijs, maar op de  een of andere manier leverde dat in Assen geen probleem op. Eelco kon natuurlijk ook heel goed onschuldig kijken. Hij was een man om van te houden. Helaas sloegen de gevoelens voor Eelco om bij Harry, en ontwikkelde hij een levenslange haat voor de man met de mooiste bluessolo’s. “I was born to be a simple man”, zong Harry in 1971. “Just to sing a simple song. But somebody came and cursed my life. I didn’t know what I’d done wrong.” Het waren profetische woorden.

“Ik heb hem uit de band moeten zetten vanwege de drugs”, verklaarde Harry toen ik hem vroeg hoe het zat. Hij had het nu over hem en niet langer over Eelco. Hij klonk erg verbitterd: “De laatste keer dat hij met ons meeging was naar een optreden in Duitsland. Hij kwam ladderzat aan. We moesten hem onder zijn gitaarkoffer het land in smokkelen, want hij had geen paspoort. In de zaal waar we optraden wilde hij acht flessen Chivas Regal uit de bar stelen. We zeiden natuurlijk dat hij die flessen moest laten staan. Anders zouden er zeker problemen komen. Wat bleek op de terugweg? Hij had die acht flessen toch meegenomen. De politie stond ons bij de grens al op te wachten. We hebben daar een hoop gedonder mee gehad. Dat was het einde. Tja, mensen kunnen diep zinken.” Ik weet niet of dit verhaal wel helemaal klopt. Het is waarschijnlijk wat je hoort als er een vechtscheiding aan de gang is. In 1972 dacht Harry er in ieder geval nog heel anders over. “Eelco is de helft van iets, net als bij een huwelijk, maar dan beter, creatiever. Het is zeldzaam dat mensen als wij, die onder allerlei spanningen moeten leven, met elkaar kunnen omgaan zonder dat het ooit tot een uitbarsting komt. Eelco en ik hebben totale communicatie.” Grote woorden, die achteraf niets waard bleken.

In de tijd dat Harry bij mij kwam wonen, was het gedaan met de Blizzards. Harry en Eelco sleutelden in bedaard tempo aan een nieuwe band. Op een gegeven moment kwam Rob Hoeke in beeld, de boogiewoogiepianist met acht razendsnelle vingers. Hij was er twee kwijtgeraakt tijdens een ongelukkig verlopen reparatie aan zijn auto. Ik reisde met Harry naar Haarlem om hem te ontmoeten. We kwamen terecht bij Barry Zand Scholten, een sportjournalist van de Telegraaf, die de peppillen bewaakte waar Rob Hoeke op was aangewezen. Hij kreeg de pillen van de apotheek, maar kon niet zo goed doseren. Vandaar dat die pot ergens anders stond. Rob Hoeke was een man die van opschieten hield. Hij ergerde zich dood aan het indolente gedrag van Harry en Eelco. Hij vluchtte regelmatig naar zijn auto, waar hij een kortegolfzender had en contacten legde met zendamateurs in verre landen. Ik maakte hem een keer mee buiten de stad, waar de rust regeerde. Rob drukte de handen tegen zijn oren. “Verdomme, ik kan niet tegen stilte”, verduidelijkte hij. “Doet zeer. Pijn in mijn oren, man.” Teleurgesteld droop Rob Hoeke al vrij snel af. Ik heb deze sympathieke pianist nooit meer teruggezien.

In 1978 vertrok ik naar Brabant om bij een grote krantencombinatie te gaan werken als journalist. In tegenstelling tot de situatie bij de Drentse & Asser Courant, waar een uitstapje naar de stad Groningen als een wereldreis werd gezien, kon in Eindhoven bijna alles. Concert bezoeken in Hamburg, geen probleem. Jozef Luns interviewen in Brussel? Stap maar in de auto. Maar toen ik voorstelde om Gadaffi in zijn woestijntent op te zoeken, keken ze toch wel een beetje vreemd. De hoofdredacteur besloot dat ik dat maar beter niet kon doen. In 1988 besloot ik voor de bladen Harry te interviewen. Er was al een tijd weinig van hem vernomen. Het was volop winter, een verlammend koude wind woei rond de flat in Ass’n waar Harry op de zesde verdieping woonde. Ik wist dat Mariska, zijn hoogblonde vriendin, er met de gitarist van de band vandoor was. Erg goed kon de stemming van Harry dus niet zijn, maar hij wilde er absoluut niet over praten. “Somebody stole my baby, but they can’t steal your best baby away because that’s the blues”, meer wilde hij er niet over zeggen. Geen stoelen in de woonkamer, alleen maar kussens op de vloer. Harry vertelde dat hij in een ligperiode terecht was gekomen. “Vooral nu het winter is, heb ik de neiging als een mol in een holletje te kruipen en daar niet meer uit te komen. Af en toe wandel ik met de hond rond de flat en dat is het dan wel.” Het was duidelijk dat zijn carrière weer eens op een dood spoor zat. “Er worden nog wel platen van mij uitgebracht, maar die kun je alleen op zorgvuldig geheim gehouden plaatsen aanschaffen”, zei hij bitter. “Als ik optreed, zeg ik wel eens: dit is nummer van onze nieuwe elpee, ren naar de winkel want het is nu al een collectors item.” Bij wijze van troost vertelde ik Harry dat Tim Hardin acht jaar na zijn dood opeens in de Nederlandse top-10 was opgedoken met het nummer ‘How can we hang on to a dream’. Harry was een groot bewonderaar van Tim Hardin, een Amerikaan die eigen songs als ‘Reason to believe’ en ‘If I were a carpenter’ bracht met een hypersensitieve stijl, een vocale scherpte die Harry ook ambieerde maar nooit helemaal bereikte. Toen Tim Hardin in de jaren zeventig naar Assen werd gehaald voor een optreden in het culturele centrum De Kolk stond Harry uiteraard vooraan. Net als Herman Brood. Voor even kleine mensen in de rol van fan. Tim Hardin had last van podiumvrees, niet zo handig natuurlijk voor een zanger. Daarom had hij zich vooraf moed ingedronken aan de bar. Met als gevolg dat hij tijdens het optreden achter de piano in slaap viel. Herman Brood rukte uit om ‘over het spoor’ brandstof te scoren. Tim Hardin was daarna niet meer te houden. Hij leek de hele nacht in de hoogste versnelling door te willen spelen. Na de show ging Tim met ons mee naar de flat van Eelco Gelling, tien hoog aan de Smetanalaan. Tim ging met een gitaar op de grond zitten en zei dat-ie hoopte dat we Engels verstonden. Hij zong een nummer dat nooit op de plaat is verschenen. Het heette ‘Rodeo Cowboy’ en ging over een man die constant uit het zadel wordt geworpen. Waarschijnlijk ging dit nummer over hemzelf. Het was een legendarische avond. Tim stierf in 1980. Hij werd maar 39 en op zijn graf stond een tekst die hij zelf had bedacht: He sang from his heart.

Het zou tot 2006 duren voordat ik Harry Muskee terugzag tijdens de presentatie van een boek over de geschiedenis van de popmuziek in Drenthe. De presentatie was in de studio van RTV Drenthe, een voormalige middelbare school die ingrijpend was verbouwd. Het was te zien dat daar flink wat gemeenschapsgeld tegenaan was gegooid. Wat er nog wel hetzelfde uitzag, was het bos naast de studio. Ik had daar lang geleden op een mosgroen bankje een paar uur zitten luisteren naar Lorre, de enige zwerver die Assen in die tijd rijk was. Hij was een eenzelvige man van wie ze zeiden dat hij met de vogels kon praten. Als het koud was, sliep hij in een naburig hertenkamp tussen de dieren. Ik produceerde een diepmenselijk verhaal, dat een golf van medeleven bij de lezers teweegbracht. Lorre kreeg een huis toegewezen en werd meteen onder de douche gezet. Tegenspartelen hielp niet. Het moest, want het was ‘goed’ voor hem. De man die zoveel winters zonder problemen in de buitenlucht had overleefd, redde het niet in zijn huisje. Al vrij snel legde hij het loodje en liet mij achter met de vraag of ik dat artikel wel had moeten schrijven. Gelukkig verging het Harry beter. Hij was weer helemaal boven jan en zag er goed geconserveerd uit. Hij woonde met zijn nieuwe vriendin buiten de stad, omgeven door aangenaam groen, en had een tweede huis op Curaçao. Harry nam het boek in ontvangst, stak zijn hand op naar mij, informeerde nog even hoe het ermee stond en ging er toen snel vandoor, uiteraard nog steeds zonder rijbewijs. Toen ik ’s nachts terugreed naar Eindhoven, starend naar verlaten landerijen, bekroop me het gevoel dat ik Harry nooit meer terug zou zien. En dat was ook zo. Af en toe belden we en dan klaagde Harry over de loslippigheid van Johan Derksen, zijn voormalige manager.  Ze hadden een echte haat-liefdeverhouding.

In de zomer van 2011 hoorde ik dat Harry ernstig ziek was, maar daar te lang mee was doorgelopen. Binnen een paar maanden was het bekeken. Het nieuws werd maandagavond 26 september 2011 bekend gemaakt. Een grootscheeps afscheid volgde. Honderden mensen kwamen naar Grolloo om afscheid te nemen van de man die wilde leven als een mol. Het verbaasde me een beetje. Ik was niet vergeten hoe in het jaar dat Harry bij mij woonde bijna niemand hem opzocht. Alleen Eelco kwam af en toe langs. Maar op de begrafenis was Eelco niet welkom. Zelfs toen Harry de dood in de ogen keek, wenste hij geen verzoening. Het was een bijzonder droevig einde van wat eens een magisch duo was.

SJOERD PUNTER 2011