De Pianist met het Pakje

Sjoerd Punter

André Hazes

Ik kan moeilijk een pilsie laten staan

Pianist8

Op een zonnig terras aan de Vinkeveense Plassen zit een kleine, dikke man te lachen. Hij lacht vooral met zijn buik. Zijn lippen houdt hij stijf op elkaar, wat hem doet lijken op iemand die op het punt staat te exploderen. Het is André Hazes die daar zit, de man die op zijn zevende begon te roken.  Hij wordt omringd door zonnebankbruine vrienden met veel goud om de vingers. Ze dissen het ene sterke verhaal na het andere op. Iedereen is hevig aan de pils. Net als André kleintjes pils. De bediening heeft het er druk mee, loopt af en aan.

Een van de gabbers is aan het woord. Zijn naam is Fritsie. Hij weegt minstens 120 kilo, het goud om zijn nek niet meegerekend. Onlangs reed Fritsie laat op de avond met een flinke snee in de neus naar huis. Hij had haast, maar werd tamelijk scherp ingehaald door een automobilist met nog meer haast. Fritsie besloot een corrigerende maatregel toe te passen. Hij reed de man klem en sprong uit de auto. “Ik sla je de kop van de romp als je dat nog eens doet”, beet hij de verblufte bestuurder toe. De volgende dag belde de man aan bij Fritsie. “We hebben een afspraak”, zei hij. “U gaat mij de kop van de romp slaan en nu wil ik voorstellen dat in mijn sportschool te komen doen.” Opeens herkende Fritsie hem: de man was een bokskampioen.

“Te gek,” schuddebuikt Hazes.

Ik wuif met een krantenknipsel uit 1981. Daarin beweerde Hazes dat hij het als volkszanger niet kon maken in een dikke Mercedes rond te rijden, terwijl de fans zich alleen maar een zesdehands olielekkend Opeltje kunnen veroorloven. Maar wat staat daar dan op de parkeerplaats?  “Inderdaad, een Mercedes”, geeft Hazes toe. “Ik heb toen gezegd dat ik dat niet kan maken tegenover mijn publiek. Maar ik heb sindsdien een paar dingetjes meegemaakt en ik denk nu: bekijk het maar. Als artiest moet je zoveel geven dat daar best iets tegenover mag staan. Dat heb ik echt moeten leren. Inmiddels is het al weer een hele tijd geleden dat ik het speldje kreeg van een miljoen kilometer in een Mercedes. Zo’n speldje met een steentje erin.” Hij lacht. “Het is echt een lelijk speldje. Ik zou niet weten waar het ligt.”

Het is 1989. André Hazes heeft besloten het rustiger aan te doen. Tot nu toe was zijn carrière een aaneenschakeling van schandalen, alcoholische uitspattingen en maagbloedingen. Hij wilde al eerder wat meer continuïteit in zijn leven brengen, en stak zijn geld in een bouwonderneming. Helaas bouwde het bedrijf alleen maar aan steeds grotere verliezen. Voor André Hazes zat er toen niets anders op dan opnieuw de podia op te gaan. Hij besloot te verkassen naar een woonboot, ver van cafés en andere plaatsen waar de verleiding makkelijk toeslaat. Nou ja, niet echt ver, ongeveer twee kilometer roeien. “Ik zit hier iedere dag aan de waterkant”, zegt hij. “We hebben met z’n allen een visclub opgericht. Dat gaat allemaal heel serieus toe. Je moet de foto’s eens zien van onze vangsten. Vorig jaar had ik een karper van 28 pond aan de haak. Zoooo’n beest, jongen! Dat is nou mijn leven. Ik kan de hele dag aan het water zitten, niks vangen en toch tevreden zijn. Een heerlijk voldaan gevoel. Echt waar.”

Een nieuwe ronde bier volgt. De stemming zit er goed in. Grappen en grollen vliegen heen en weer als boemerangs.

“Ik heb drie maagbloedingen achter elkaar gehad”, zegt Hazes als we ons hebben afgescheiden van het innemende gezelschap op het terras. “Het gebeurde tijdens een tournee door België. Ik sta me in mijn hotelkamer me om te kleden en ik word me toch beroerd. Het bloed liep uit mijn mond. Shit, dacht ik, ik moet optreden. In de coulissen hoorde ik dat ik werd aangekondigd en weer golfde het bloed uit mijn mond. Toch ben ik het podium opgegaan. Terwijl ik stond te zingen, proefde ik het bloed. Het was net zoiets als de smaak van gebakken lever. De volgende dag ben ik naar het huis gegaan. Mijn vrouw heb ik niets verteld. Ik wilde haar niet ongerust maken. Ik ben wel naar een dokter gegaan en die bevestigde dat ik twee maagbloedingen had gehad. Hij wilde dat ik mijn leven drastisch ging veranderen, maar dat kon ik niet. Kort daarna kreeg ik een derde maagbloeding. Ik durfde het niemand te vertellen.”

“Ach, ik maak me nu niet meer zo druk”, gaat hij verder na een nieuwe dosis bier. “Ik neem mijn pillen, en leef het leven van een zonderling. Ik woon aan de overkant van het water in een boot, lekker ver van alles. Zo heb ik geen last van de mensen. Als artiest moet je zoveel van jezelf geven dat je jezelf kunt kwijtraken. Gelukkig is het nog net goed gekomen. Mijn gezin is het belangrijkste in mijn leven. Mijn zoon is zeven. Ik zie die gozer opgroeien. Ik wil daar niets van missen. En mijn dochter van vijftien is verliefd. Ja jongen, ik heb ook recht op geluk. Het kan me niks verdommen dat ik voor de vijfde keer ben uitgeroepen tot de slechtst geklede artiest van Nederland. Houwen zo! Nou heb ik weer gelezen dat ik zwaar aan de cocaïne zit. Gelul! Het enige dat ik deze week heb open gemaakt is een pak Omo. Ik heb nog nooit die rotzooi gebruikt. Zelfs een stickie heb ik nooit gerookt. Geef mij maar een pilsie. Die dealers mogen ze van mij allemaal ophangen. Ik trek me er allemaal niets van aan. Twaalf jaar hebben ze geprobeerd me klein te krijgen, maar dat is ze mooi niet gelukt. Ik heb in Baarn in een knoert van een villa gewoond, maar ik voelde me daar helemaal niet thuis. Nu ben ik gelukkig in mijn woonboot. Ik heb het allemaal meegemaakt en gezien. Ik weet hoe het leven van een artiest is. Voor mij hoeft het niet meer. Van de paar centjes die ik nog over heb, koop ik liever een kroeg en daar treed ik dan op.”

Maar het liep anders. Het succes haalde hem in en draaide het hart van André Hazes helemaal dol, in september 2004 gevolgd door een grootscheepse uitvaart in de Amsterdam Arena, bijgewoond door 48.000 mensen die bijna allemaal zaten te huilen, een rivier van tranen. Arme André, zelfs toen hij dood in zijn kist lag, moest hij doorgaan met optreden.

Toen ik Hazes sprak, had hij net een maand in de studio doorgebracht. De bedoeling was om met mensen als Herman Brood, Kaz Lux en Jan Akkerman een onvervalste bluesplaat op te nemen met als titel ‘Dit is wat ik wil’. Hazes: “Het is een soort jeugddroom die nu uitkomt. Blues, dat heb ik altijd al willen doen. Voor mij is het al heel jong begonnen. Ik was een jaar of acht toen in het Concertgebouw een bluesnacht was met onder meer B.B. King en Muddy Waters. Mijn buurjongen, een brede gozer, nam me stiekem  mee. Mijn vader mocht het niet weten. Die zou mijn kop eraf rammen. Ik ging die avond naar bed alsof er niets aan de hand was, kleedde me even later aan en sloop naar beneden waar mijn buurjongen al stond te wachten. Wij naar het Concertgebouw, maar ik was natuurlijk veel te jong om binnen te mogen. Mijn buurjongen had een regenjas aan. Hij stopte mij er gewoon onder. Hangend aan zijn arm kwam ik binnen. Die avond is de mooiste die ik in mijn leven heb meegemaakt. Al die oude negers, heerlijk!” Voor het bluesalbum was ook Harry Muskee uitgenodigd, maar de stemmingsgevoelige Drent liet het afweten. “Die Muskee is wel een heel vreemde vogel,” aldus Hazes. “Om vier ’s nachts belt ie iemand van mijn platenmaatschappij EMI uit bed, en zegt dat hij niet meedoet aan het bluesalbum. Hij zal wel door iemand zijn omgeluld.” Over Herman Brood, de kroonprins van de nacht, is Hazes daarentegen bijzonder te spreken: “Hij was nog niet binnen of hij zat al achter de piano. Ik was hartstikke blij dat hij gekomen was, want Herman is natuurlijk wel een jongen van wie je denkt: komt ie nou wel of niet? Herman en ik hebben verschrikkelijk goed kunnen werken. Hij is echt een heel goede muzikant.”

Na weer een professionele slok en nu voorzien van een schuimsnor gaat Hazes verder. “Ik werk tegenwoordig drie keer per week. Meer gaat gewoon niet. Ik gooi me bij elk optreden helemaal leeg. Na afloop ben ik mijn stem bijna helemaal kwijt. Ik begrijp niet dat zo’n Lee Towers drie keer op een avond optreedt. Soms doet hij acht shows in een weekend. Ik ben blij dat ik niet zijn manager heb. Dan moest ik ook in smoking de bühne op, hahaha. Sinds ik hier aan de plas woon, ben ik zo lui als de kolere. Daar moet eigenlijk wel verandering in komen, want echt dun kun je mij niet noemen. Weet je wat het is? Als het gezellig is vergeet ik alles. Ik kan moeilijk een pilsje laten staan.” Hij wenkt de ober. “Louis, doe ons er nog een.”

Zijn dochter doet het goed op school. Daar is hij heel trots op. “Ik heb maar een half jaar lts gehad. Daarna werd ik er afgeschopt. Ik zag het helemaal niet zitten op school. Ik kwam uit een gezin waar het armoe troef was. Dus ging ik liever wat verdienen. Het ging met mij net als met mijn vader. Die had ook steeds nieuwe banen. Net als hij ben ik glazenwasser geweest en ober in een café. Ik heb beslist geen gemakkelijke jeugd gehad. En daar hebben mijn kinderen nu profijt van, want hunnie komen niets tekort. Ik zal ze nooit met een vinger aanraken. Zelf heb ik vroeger heel wat slaag gehad, dat kan ik je wel vertellen.” Op mijn vraag of hij zo’n onbezorgde jeugd had willen hebben, wordt het even stil. “Wil je een eerlijk antwoord? En dat is nee. Weet je waarom. Anders had ik nooit van blues kunnen houden. Je moet littekens op je ziel hebben om zo te kunnen zingen.”

SJOERD PUNTER 1989/2004