De Pianist met het Pakje

Sjoerd Punter

Ramses Shaffy

Omringd door eeuwig zingende bossen

Pianist11

Ramses Shaffy, dat was niets voor mij. Zijn muziek sprak me totaal niet aan. Altijd windkracht tien. Maar toen Ramses verliefd raakte op de ‘leukste man van de wereld’ werd ik toch wel nieuwsgierig. Die ‘leukste man’ was namelijk niemand minder dan Bhagwan, een man aan wie ik mijn ziel nooit zou verkopen. De goeroe predikte een eenvoudige boodschap: Onderdruk niet langer je eigen behoeften, maar accepteer jezelf. Dat klonk niet al te moeilijk, maar er was wel een probleempje als het ging om de uitvoering van deze gedachte, want wie is eigenlijk jezelf? Daar moest Ramses Shaffy maar eens antwoord op geven. Misschien was hij inmiddels in het bezit van Diepere Inzichten. Een jaar geleden was hij immers toegetreden tot het spirituele syndicaat van Bhagwan, dat hem inzette bij het reinigen van toiletten en zijn ziel.

Ik sprong in de auto en reed in het voorjaar van 1983 naar Heerde, een dorp in de buurt van Zwolle. In de bossen bevond zich de Stad Rajneesh, gevestigd op een terrein van 53 hectare dat was aangekocht voor 1,2 miljoen gulden. Omringd door eeuwig zingende bossen stond er een imposant hoofdgebouw, met daarnaast bungalows voor enkele tientallen  topvolgelingen. Deze sannyasins straalden het soort vrolijkheid uit dat je aantreft bij mensen die even vergeten zijn dat ze zich bevinden op een zinkend schip dat de Titanic heet.

Als ik het hoofdgebouw binnenstap, blijkt Shaffy nog niet voorhanden. Hij is net terug van een optreden met de Amitabh Rajneesh Muziekgroep en is nu aan het mediteren. Hij kan bij deze stilteverkenning absoluut niet gestoord worden. Een sannyasin met een afbeelding van Bhagwan aan een kralenketting om zijn nek loopt met me mee naar de kamer waar we Shaffy zullen ontmoeten. Er staat fraai meubilair met een dure uitstraling, passend bij een beweging waarvan de Leider zich verplaatst in een Rolls-Royce. “Vroeger was ik een heel actief mannetje”, zegt de sannyasin in antwoord op een vraag die helemaal niet is gesteld. “Op de zaak zat ik natuurlijk in de ondernemingsraad. Ik deed ook allerlei vakbondsdingen. Weet je, ik zat in de weerstand. Die dwang ben ik gelukkig nu helemaal kwijt.” De sannyasin lacht stralend, en begint een sjekkie in elkaar te draaien. “Mijn laatste slechte gewoonte”, beweert hij. Ik zie bruine nicotinevlekken op zijn vingers.

Dan zwaait de deur open en staat daar Ramses Shaffy. Hij ziet er niet erg opgewekt uit. Zwijgend neemt hij plaats in een van de fauteuils. Algauw blijkt dat Shaffy niet erg mededeelzaam is over hoe-het-allemaal-zo-gekomen-is. “Voor mijzelf weet ik natuurlijk wel wat het verschil met vroeger is, maar dat hoef ik toch niet uit te leggen”, zegt hij met zichtbare tegenzin. Gelukkig is het al gauw tijd voor het Bhagwan dinner: een kwak aardappelpuree en wat groenvoer in zijn meest elementaire vorm. “Ja, ik ben tegenwoordig vegetarisch”, licht Shaffy toe als ook het yoghurttoetje naar binnen is gegleden. “Maar ik ben niet echt principieel. Ik laat het me goed smaken als ik bij mensen thuis ben, en ze een lekkere kip hebben klaargemaakt.”

Na het eten vertrekken we voor een wandeling door het groen. “Gisteren heb ik voor het eerst twee herten gezien”, zegt hij en kijkt alsof hij Columbus is na de ontdekking van Amerika. Gaandeweg komt Shaffy steeds meer in de stemming voor een Goed Gesprek. Na enige tijd is hij zelfs nauwelijks meer te stuiten. “Hier lopen is een onderdeel van mijn werk. Ik maak mijn liederen lopend, repeteren doe ik ook lopend. Het is niet leuk kuieren of zo, het is werken! Vroeger deed ik dat ook al zo. Dan liep ik in mijn eentje in de Amsterdamse havens en repeteerde mijn teksten. Soms kwam je iemand tegen en die schrok dan natuurlijk enorm als ie mij zo zag schreeuwen.” Gelukkig schreeuwt hij nu niet.

Ik informeer naar de stand van zijn huidige leven. Is eenwording met de natuur echt wat hij wil? Is hij dan geen echte stadjongen? “Vroeger was het ondenkbaar dat ik hier in de bossen zou gaan wonen. De mensen ontmoeten, dat deed ik in de kroeg. Toch was ik het liefst alleen. Dat kan ik namelijk heel goed, misschien wel te goed, maar in de praktijk was ik altijd omringd door mensen. Ik had ook altijd wel een verhouding. Toen mijn laatste verhouding uit elkaar spatte, ben ik naar India vertrokken om bij Bhagwan te zijn. Ik heb hem gevraagd om een nieuwe naam, maar Bhagwan gaf me mijn eigen naam terug. Waarom? Dat weet ik niet.” Zo moeilijk is dat niet te snappen. Bhagwan was een schrander baasje. Hij had natuurlijk goed  begrepen  dat Shaffy onder zijn eigen naam van meer waarde zou zijn voor de Beweging dan onder de een of andere fakenaam.

Echt verliefd op Bhagwan? Oranje vlinders in de buik? De vraag blijf even hangen. “Wat moet ik daar nou weer op antwoorden?” zegt Shaffy aarzelend. “Als je vreselijk veel van iemand gehouden hebt, kun je ook niet zeggen hoe het was. Te privé. Mijn liefde voor Bhagwan is een affaire die ik met heel veel mensen deel. Ga zelf maar eens naar Poona. Dat kan ik je van harte aanbevelen. Het is daar één groot carnaval waar je helemaal in wordt ondergedompeld.”

Geen enkele behoefte, Ramses. Enorme hekel aan alles wat op carnaval lijkt.

Nog steeds stappend door het groen, komen we op filosofisch terrein. Shaffy maakt wilde armgebaren en barst los. “Als niets meer vaststaat, en dat is nu, dàn wordt het leven pas echt een creatief avontuur. De korte tijd dat we op aarde zijn, wil ik er alles uithalen wat erin zit. Ik moet uit de gevangenis komen die ik zelf heb gemaakt. Ik voel dat het goed is dat ik hier ben. Maar ik heb daar niet voor gekozen. Het is me overkomen. Maar het is hier te gek hoor. Wow. Mijn lijf voelt ook weer veel beter. Niet meer zo moe dat je steeds een tuk wilt maken.”

Shaffy kampte een groot deel van zijn leven met een probleem met de hulpstoffen. Hij dronk te veel, en nam ook zonder enige aandrang tot dosering andere schadelijke substanties tot zich. Daar was hij nu even mee gestopt, want in de Stad Rajneesh hielden ze er niet van. Zijn verblijf in de verlichte enclave zou echter tijdelijk zijn. Na een paar jaar was hij weer terug in het oude consumptiepatroon. Shaffy zou de laatste zeven jaar van zijn leven dementerend doorbrengen in een verzorgingshuis in Amsterdam. Dat lag allemaal nog verborgen in de nevelen van de toekomst, en dus kon ik hem onbekommerd de vraag stellen: Is Ramses Shaffy gelukkig? Hij moest er even over nadenken, en kwam tot de conclusie dat hij inderdaad gelukkig was. “Ik voel me helemaal schoon. Dat is nieuw voor mij, een heerlijk gevoel. Ik vind mijn leven nu het bittere einde. Dat is een vreselijke luxe.” Het klonk als een niet helemaal geslaagd couplet van een van zijn liederen.

Als we de rand van het Bhagwanbos bereikt hebben en de boze buitenwereld in beeld komt waar actie gevoerd wordt tegen de enclave, draaien we ons om. Je zou het symbolisch kunnen noemen. Op de terugweg naar het hoofdgebouw rusten we uit een bankje. We zwijgen. Alles is gezegd.  Nu zijn de vogels aan de beurt.

Het afscheid is hartelijk. Shaffy schudt me enthousiast de hand. Met stralende ogen zegt hij: “Fijn dat je gekomen bent” en zwaait langdurig als ik wegrij. Het laatste wat ik zie, is zijn feloranje sjaal. De volgende dag maken mijn beenspieren een gescheurde indruk. Met een verlichte persoon in de pas lopen, dat is echt geen eenvoudige zaak.

SJOERD PUNTER 1990