De Pianist met het Pakje

Sjoerd Punter

Armand

Op het podium sterven lijkt me wel fijn

Foto Ronald Rietman
Foto Ronald Rietman

Eigenlijk was 19 november 2015 een dag om gauw te vergeten. Maar ’s avonds gebeurde iets waardoor ik er toch anders over ging denken. Het liep tegen twaalven toen zonder enige aanleiding Armand, de godfather van het Nederlandse protestlied, in mijn gedachten opdook. Ik vroeg me af hoe het met hem ging. Het was al weer een behoorlijke tijd geleden dat ik hem  had gesproken. Ik besloot Manus, zoals vrienden hem noemden, de volgende dag te bellen, maar dat kon niet meer: hij was die donderdagavond overleden in het ziekenhuis. Vreemd hoe de dingen soms gaan.

Ik spoel terug naar een mooie zomerdag in het jaar 2000. Het is halverwege de middag als Armand aan het ontbijt verschijnt. De indringende lucht van gebakken ei met spek vult de kamer. Daglicht is te brutaal, daarom blijven de gordijnen dicht. Kaarsen zorgen voor wat licht als de zanger met zijn vrouw een discussie begint over wie er nu eigenlijk koffie gaat zetten. Hij niet dus. Het interieur van zijn huis in een degelijke Eindhovense buitenwijk oogt even verwilderd als de tuin waar het wrak van een tv-toestel te midden van hoog opgeschoten onkruid half in de grond is weggezonken. Enige aandrang tot ordening ontbreekt. De zanger delft een plastic zakje met Marokkaanse hasj op uit de rotzooi op tafel. Hij verkruimelt de dope, deponeert die in een tuitvormige chillum en steekt de brand erin. Hij inhaleert enkele seconden waarbij zijn perkamentkleurige wangen vervaarlijk bollen en braakt dan een imponerende rookwolk uit. Het uit graniet gehouwen gezicht krijgt een zachte uitdrukking: “Hehe, is dat even een goed begin van de dag!”

Het publiek eiste altijd twee dingen van hem: hij moest zijn enige hit ‘Ben ik te min’ zingen, en hij moest zijn liefde voor het groene gewas openlijk belijden. “Vanuit de zaal worden altijd joints aangeboden. Vaak van die vieze dingen met veel Van Nelle Apehaar erin, weetjewel, en van die zwarte troep. Bah. En dan moet ik toch een flinke blow nemen.” Hij trad alleen op als de organisator van het concert had voldaan aan punt 9 van het contract: de aanwezigheid van een rustige, verwarmde, afsluitbare kleedkamer met thee & blow. Dat vond hij normaal: “Andere artiesten krijgen twee kratten pils en vier flessen whisky. Dan kunnen ze voor mij toch wel een stukje shit halen.” Soms was hij zo stoned dat hij niet meer wist of hij zich op de snelweg tussen Assen en Groningen bevond of dat hij tussen Amsterdam en Den Haag reed. Hij had niet de indruk dat deze toestand zijn rijvaardigheid aantastte.

Armand zag cannabis als een doeltreffend medicijn waar hij absoluut niet zonder kon. “Sinds ik ben gaan blowen, heb ik het nooit meer benauwd gehad. Ik was vroeger een zware astmapatiënt. Als ik de trap opliep, moest ik daarna languit op de overloop gaan liggen om weer op adem te komen. Er is van alles aan gedaan. Dokters, waarzeggers, strijkers, magnetiseurs. Niets hielp, tot ik in 1966 in Antwerpen mijn eerste wietje rookte. Het werkte meteen. Toen ik het de volgende keer weer benauwd kreeg, ben ik meteen naar Antwerpen gereden. In Nederland kon je de shit toen nog nergens krijgen. Ik was de eerste die in Eindhoven blowde. Ik ging er meteen flink tegenaan. Rookte in mijn gloriejaren voor duizend gulden per week. Overdosis? Helemaal niet. De enige overdosis waar ik last van heb, is een overdosis mensen.”

Het nummer dat zijn leven voorgoed veranderde was het venijnige ‘Ben ik te min’, de B-kant van zijn tweede single. Het nummer kwam in 1965 in ’n verloren moment tot stand en werd door Armand beschouwd als een niemendalletje. “Ik heb tweeduizend andere songs geschreven. Je snapt niet waarom zo’n in elkaar geflanst nummertje het beter doet dan iets waar je gruwelijk hard op hebt gezwoegd.” Het succes van het nummer stelde hem in staat een tweedehands Rolls-Royce aan te schaffen. Een opmerkelijke handelswijze van de Held van de Arbeidersklasse, want ging het nummer niet over standsverschillen? “Inderdaad is dat belachelijk, maar ja, ik hou nu eenmaal van speelgoed. Toen ik die Rolls-Royce ging halen, had ik nog een brommer. Die heb ik achter in de Rolls geladen. Hij paste er precies in. Daarna heb ik nog twee Jaguars gehad, een Chevrolet Corvair en een Chrysler, die ik alleen voor het dashboard kocht. Ik heb ook nog een witte Cadillac met open dak gehad. Dat was niet alleen  verspilling. Ik woonde in die auto’s. De campingboter zat in het handschoenenvak.”

Het geld stroomde binnen, en werd zo mogelijk nog sneller doorgesluisd. ”In een weekend verdiende ik drieduizend gulden. Dat was in die tijd een enorme smak geld. Maar vergis je niet. Ik trad in zo’n weekend twintig keer op. Ik kreeg 150 gulden per optreden. Ik heb ook nog in het voorprogramma van de Rolling Stones gezeten. Daar kreeg ik 69,75 gulden voor. Ik heb alles opgemaakt. Als protestzanger kun je toch niet gaan potten. Het geld moest op. Geeft niks. Van geld word je vroeg oud, weetjewel. Voor mij geldt: als ik niks heb, is het ook goed. Dan functioneer ik gewoon door.”

In zijn succesjaren stond Armand stijf van de stimulantia op het podium. Hij dealde zelfs een tijdje coke en spoelde in een acute aanval van paranoia de hele voorraad door de plee. Hij denkt niet graag aan terug aan deze periode. “Het enige wat ik nog wilde, was stappen, steeds maar stappen. Een heavy tijd. Ik kon absoluut geen maat houden. Ik werd op het laatst ziek van mijn eigen paranoia. Elke keer door de gordijnen gluren of de wouten voor de deur stonden. Elk geluidje hoorde je. En je hoorde ook geluiden die er helemaal niet waren. Er kwam niets meer uit. Ik moest wel stoppen.” Het besluit om de consumptie van coke op te geven, kwam na een optreden in Terneuzen, een behoorlijk toepasselijke naam. “Ik ontmoette daar Nancy en Nancy was heel mooi. Echt een lekker wijf uit Antwerpen. Natuurlijk wilde ik haar versieren. Er werd die avond flink gesnoven. Toen alles op was, kreeg Nancy pijn aan haar neus. Zo begon te snotteren en kondigde aan dat met mij mee zou gaan naar Eindhoven. ‘Nee’, dacht ik. ‘Dit heb ik allemaal net achter de rug. Dit wil ik niet nog een keer meemaken.’ Dus heb ik gezegd dat het niet kon. Eenmaal thuisgekomen, heb ik meteen een afscheidsnummer geschreven. Had ik er toch nog wat positiefs aan overgehouden.”

Jarenlang reisde hij per trein door Nederland. “Zeker 1500 kilometer per week. De trein is voor mij nog steeds het ideale vervoermiddel. In de trein ben ik mensen tegen gekomen die ik anders nooit had ontmoet. Ik reisde wel altijd eerste klas. Dat heb ik geleerd van de regisseur John Huston, die zei: ‘Son, give them a good show and always travel first class’. En dat doe ik. Ik geef altijd een goede show. De mensen in de trein kijken wel eens vreemd op als ik een joint aansteek, maar daar trek ik me nooit iets van aan. Als ik niet blow in de trein, vraagt de conducteur of ik ziek ben, haha. Eerlijk waar, dat is meerdere keren gebeurd. Elk stationnetje in Nederland ken ik. Met de trein kom je op de mooiste plekjes. Je komt bijvoorbeeld aan in Holten, net achter Deventer. Je loopt honderd meter door een maisveld en opeens ben je in een andere wereld. Daar groeien cipressen. Wie weet dat? Daar kom je alleen maar achter als je met de trein reist. Je kunt me alles vragen over treinen. Wanneer de laatste trein naar Amsterdam vertrekt uit Groningen? Om 22.18 uur. Ja jongen, dat is pas kennis. Ik ben een echte treinengek. Ik heb lang op zolder een modelspoorweg gehad, waar ik 175.000 gulden in had gestopt. Uiteindelijk heb ik de hele handel verkocht om te voorkomen dat ik me god ging voelen. Je wordt een echte fascist als je niet uitkijkt met treintjes. Je ontwerpt hele steden en modelleert mensen naar eigen smaak. Herman Göring stond ook bekend als een fanatiek liefhebber van treintjes.”

Een leven zonder optredens kon hij zich niet voorstellen. “Muziek is ontzettend belangrijk voor mij. Ik kan absoluut niet zonder. Als ik ’n tijdje geen optredens heb, pak ik de gitaar en ga ik in een willekeurig theehuis zitten spelen. Ik moet het kwijt. Drie uur optreden is voor mij heel normaal. Vaak ga ik langer door. Het record staat op vijf uur en tien minuten in een bluescafé in Drachten. Ja jongen, helemaal alleen met m’n gitaar.” Uiteraard had hij ook lange nummers op het repertoire, zoals de rapsong ‘Bericht uit Absurdistan’. “Daar ben ik een jaar mee bezig geweest. Ik heb zelfs drie maanden niet geblowd, omdat ik de beste rap wilde maken die er was. Op een bepaald moment had ik viereneenhalf uur tekst. Wel ’n beetje veel, he. Voor de plaat heb ik dat teruggebracht tot 22 minuten. Meer gaat er nu eenmaal niet op één kant van  een elpee.”

Armand werd altijd geassocieerd met het Nederlandse protestlied, maar dat was niet helemaal terecht. Zo stond op de cd ‘One of eur kind’ uit 1992 het nummer ‘Europanafalbeet’, uitgevoerd in zeven talen. “Ik ga me nu bewust op het buitenland richten”, kondigde hij op een bepaald moment aan. “Ik zie daar veel meer ludieke ontwikkelingen dan bij ons. Wij rusten in Nederland te lang op onze lauweren en worden aan alle kanten ingehaald. Ik zie het Nederlands nog wel eens verdwijnen.” Een filippica over de Nederlandse taal volgde, met op de achtergrond de Dikke Van Dale. “Een Franse tekst uit 1831 is nog exact hetzelfde als een Franse tekst uit 2000, maar een Nederlandse tekst uit 1831 is al bijna niet meer te lezen. In Nederland zijn ze continu bezig om de taal te veranderen. Blijkbaar willen ze dat Nederlands de moeilijkste taal ter wereld wordt.” Uiteindelijk ging hij toch maar door in het Nederlands. Er viel niet aan te ontsnappen.

Zijn populariteit kon niet verhullen dat hij zich lange tijd eenzaam voelde. “Mijn tweede vrouw, moeder van mijn kinderen, heeft me in de steek gelaten. De eerste avond dat ik alleen was, moest ik in Coevorden spelen. Ik deed mijn laatste nummer en iedereen ging uit zijn bol, twintig rijen dik. Ja, dan heb je tranen in je ogen. En dan gaat het licht aan en ben je alleen. Helemaal niemand meer die van je houdt. Helemaal niemand die je kan opvangen. In m’n populaire periode had ik nooit enig contact met het publiek. Ze kwamen kijken wat voor laarzen ik aan had en op wat voor merk gitaar ik speelde. Daarna draaiden ze zich om en pakten een pint. Zo gaat dat altijd. Je denkt toch niet dat zo’n David Bowie, die voor vijftigduizend mensen optreedt, enig contact heeft met de mensen? Het is gewoon éénrichtingsverkeer. Vaak is het in een huwelijk hetzelfde. Moeders wil is wet. Uit een onderzoek is laatst gebleken dat de Nederlandse man de meest betuttelde man van Europa is. Echt waar! Mijn huwelijk ging naar de knoppen door een abonnement op de Cosmopolitan. Dat kutblad schrijft dat je gerust vreemd mag gaan, alleen moet je het niet tegen je man vertellen, je moet juist zeggen dat je van hem houdt.” Wat volgde: een maniakale lach, een flinke hijs en een hoestbui.

Armand had een zwakke gezondheid, maar aan de dood dacht hij niet graag. “Ik word minimaal 118, da’s zeker. Pas geleden zat ik te luisteren naar de Franse radio en toen hoorde ik een nummer van Dalida met de volgende regel: ‘Moi, je veux mourir sur la scene’. Het leek wel alsof ze het voor mij had gezongen. Ik heb meteen die plaat gekocht. De volgende dag las ik in de krant dat Dalida zelfmoord had gepleegd. Dat vond ik toch wel zo stom van haar! Op een kamertje met pillen, nondeju, dat doe je toch niet. Ik moest janken toen ik het las. Zo’n prachtwijf dat zoiets doet… Ik zal er zelf nooit een eind aan maken. Maar tijdens de show op het podium sterven lijkt me eigenlijk wel fijn, of ’s morgens als de zon schijnt.”

 

1n 2015 was het voorbij. Armand stierf in een steriel ziekenhuisbed. Toch nog 69 geworden. Opeens stond hij weer in het middelpunt van de belangstelling. Een maand na zijn dood rukte hij met ‘Ben ik te min’ zelfs op naar plaats 90 van de Top 2000. Erg lang duurde dit postume succes niet. Drie jaar later was ‘Ben ik te min’ alweer gezakt naar plaats 1411.

SJOERD PUNTER 2018