Arthur-Conley

Arthur Conley

Sweet Soul Music

Categorie:

door Ed Muitjens

15-09-2021

Of we van goede muziek houden? Je zou verwachten dat de vraag retorisch is maar gelet op het antwoord in “Sweet soul music” is dat niet het geval. De “Yeah, yeah’s” vliegen je tenslotte om de oren. Het lied, een soulkraker van jewelste, plakte aan Arthur Conley’s been en voelde, niet lang na de opnames, aan als een groot blok. Het gelijknamige album uit 1967 is onder de vleugels van Otis Redding tot stand gekomen. Redding was sinds 1965 niet alleen bij tijd en wijle producer van Conley, hij was vooral zijn mentor, vriend en was als een tweede vader voor hem. Redding liet hem plaatjes uitbrengen op zijn Jotis label en haalde hem naar Memphis om onder meer zijn debuutplaatje “I’m a lonely stranger” opnieuw op te nemen. Protegé Conley volgde Redding in zo’n beetje alles. Op het album staat vermeld dat “Sweet Soul Music” is geschreven door beide zangers. Niets is minder waar. Conley wilde een nummer van zijn grote voorbeeld, Sam Cooke, opnemen, namelijk “Yeah man”. Redding paste samen met Conley de tekst van “Yeah man” aan en plakte er, als intro, een passage uit het thema van de western “The magnificent seven” van Bernstein voor. Het resultaat was het schoolvoorbeeld van het betere jat- en plakwerk. Dat er een rechtszaak dreigde en een schikking werd getroffen mag geen verbazing wekken. Nu wist Cooke natuurlijk ook waar hij de mosterd vandaan had gehaald want als je “een Leo Blokhuisje” zou willen doen dan vind je de oorsprong terug in de gospel (“Have you got good religion?”). Maar Redding voelde meteen aan dat dit een knoeperd van een hit zou worden en dat alleen al bij het horen van de blazers de veters van dansschoenen aangetrokken zouden worden. Ach, hoe vaak hebben we niet op feesten en partijen gezien dat op “Sweet Soul Music” een beroep werd gedaan op de soepelheid van heupen waarbij overschatting doorgaans troef was? Op het album staan de nodige fraaie tracks waaronder ook een versie van “Take me (just as I am)”van Dan Penn en Spooner Oldham.

Na Redding’s dood verloor Conley vaste grond onder de voeten. Hij werd voor velen een verdienmodel en de liefde, die hij van Redding had gevoeld, was ver te zoeken. Hij maakte nog deel uit The Soul Clan. Samen met Solomon Burke, Don Covay, Ben E. King en Joe Tex toerde hij onder meer door Europa. Soulbrothers. Zo noemden ze zich maar voor Conley was dat maar een farce. Die ‘brotherhood’ was er enkel in naam. In 1974 trok hij zich terug en via en Parijs en Brussel kwam hij terecht in Amsterdam. De zanger Arthur Conley was hij toen allang niet meer. Lee Roberts, dat was zijn nieuwe artiestennaam. Hij leerde er een tapijtenontwerper kennen, werd verliefd en trok met hem naar Ruurlo, of all places. Toch vond hij daar zijn thuis. Ruurlo was voor hem “het culturele kruispunt van alles”. Hij was aan deze kant van de Oceaan dichter bij zijn roots. Conley werd opgenomen in de gemeenschap en voelde zich één van hen. Iedereen kende iedereen zoals dat vroeger ook op het platteland in Georga was. Over het verleden sprak hij niet meer. Zo is hij in 1999 nog eens geïnterviewd door twee Nederlandse journalisten waarbij hen verboden werd om de naam Arthur Conley zelfs maar in de mond te nemen. Hij stierf in 2003. In het Georgia van de Achterhoek. Daar waar hij weer gewoon Arthur was. Wiens achternaam toevallig Conlay luidde.

Van Conley heb ik nog een zeer fraaie Kent compilatie over de jaren 1964 tot en met 1974 met prachtige deepsoul liedjes. nagenoeg allemaal opgenomen in de FAME studio’s in Muscle Shoals. Voor Otis Redding was er geen groter soultalent dan deze Arthur Conley. Als je naar de opnamen luistert dan kun je hem wel begrijpen.

(John Schoorl heeft in zijn boekje “Een soulman in de achterhoek een mooi beeld over hem geschetst. Ook dat is een tip).