Those were the days…

thosewerethedaysfoto

02 Jun 2020 door Sjoerd Punter

Het muziekloze tijdperk is niet nieuw voor mij. Ik heb het allemaal al eens eerder meegemaakt. In mijn jeugd was er op muzikaal gebied namelijk helemaal niets dat het bloed sneller deed stromen. Draaiorgels terroriseerden de straat. Af en toe marcheerde een muziekkorps in marsritme voorbij. Afzien was het. De verlossing kwam in 1956. Opeens was er rock ’n’ roll. Een pandemie van energie, de handrem eraf. De muziek was niet alleen opwindend, voor het eerst ging het ook over onderwerpen waar je Perry Como en andere honingzoete zwijmelaars uit die tijd nooit over hoorde. Uiteraard kwam seks, behoedzaam geformuleerd, om de hoek kijken. Het was een beladen onderwerp. Op mijn middelbare school kwam het op een avond tot dansen. De directeur was er niet bij en hoorde pas de volgende dag wat er was gebeurd. Groot alarm. Meteen ging er een hete brief aan alle ouders de deur uit. De directeur liet weten dat hij niet instond voor de gevolgen van het dansen… Alsof de kids zich bezig hadden gehouden met woeste voortplanting in plaats van met een vlinderstrikje onder de kin braafjes te bewegen op de bijzonder beschaafde klanken van de Dutch Swing College Band. Zo was de sfeer. Tot de zomer van 1958 was het in Nederland officieel verboden om rond te rijden op een bromfiets met een buddyseat. De negentiende eeuw was echt nog niet voorbij. De schillenboer, de draaiorgelman en diverse leveranciers van dagelijkse producten, allemaal kwamen ze langs met paard en wagen. Overal poepheuveltjes en schuimende plassen pis op straat. Vieze boel in die goeie ouwe tijd.
Op de Nederlandse radio veranderde weinig aan de programmering. Daar regeerde nog steeds slappe kost, zoals ‘Twee reebruine ogen, die keken de jager aan’ en het al even belachelijke ‘Kijk eens in de poppetjes van mijn ogen’. Het waren nummers, gezongen door dames met wijd uitwaaierende jurken die ver onder de knieën eindigden. Seksloze types, die zich bewogen alsof ze een bad hadden genomen in een kuip met stijfsel. Blote enkels, daar moesten wij het mee doen. Ook heel populair was Olga Lowina, de jodelkoningin uit Twente, jarenlang joeg ze mij de stuipen op het lijf met haar holada-itti-jo. Gelukkig ontdekte ik de Amerikaanse legerzender AFN, die uitzond vanuit Bremerhaven. Hier draaiden ze opwindende rock ’n’ roll, net als trouwens Radio Luxemburg (Your station of the stars). Daar was op zondagavond van elf tot twaalf de Engelse top-20 te horen. Ik luisterde ernaar in bed, want daar hoorde je als 12-jarige liggen, bij voorkeur weggezakt in een diepe, gezonde slaap om de volgende dag vol energie in het gareel te kunnen lopen. Het zou tot 11 september 1959 duren voordat het op de Nederlandse radio ‘Tijd voor Teenagers’ was. Het programma werd één keer per week op vrijdagmiddag uitgezonden. Als je kijkt naar wat er die eerste keer werd uitgezonden, wisten de samenstellers niet precies wat ‘teenagermuziek’ was, want er werden nummers gedraaid van onder meer Perry Como en de trompettist Willie Schobbe. Het programma werd gepresenteerd door een man die niet echt de indruk maakte erg warm te lopen voor de nieuwe muziek. Een soort oudere oom die waarschijnlijk het liefste thuiszat om met zijn vriend ‘Mens erger je niet’ te spelen, een populaire bezigheid in die dagen.

In 1956 stond de televisie nog in de kinderschoenen. Bij ons in de straat was slechts een persoon die in het bezit was van een televisietoestel. Hij keek altijd alleen. Dus kwamen voor mij de eerste levende beelden pas door toen in de bioscoop de film ‘Rock around the clock’ draaide met Bill Haley & The Comets achter de microfoon. Bill Haley was een voormalige countryzanger uit Amerika die zich had bekeerd tot de rock ‘n’ roll. Hij was al behoorlijk op leeftijd en dol op vlinderstrikjes. Hij had een rare haarlok, die als een omgekeerde komma op zijn voorhoofd zat geplakt. In de film werd er flink op los geswingd. Uiteraard infecteerde dat de mensen in de zaal. Ongebruikelijk enthousiaste taferelen waren het gevolg. Sommige burgemeesters schrokken zo van de berichten over onregelmatigheden, dat ze de vertoning van de film in hun gemeente verboden. Ik zag de film in Groningen. Daar durfde de burgemeester het wel aan. De sfeer in de bioscoop was behoorlijk opgewonden, maar totaal niet bedreigend. Los in de heupen kwamen we de bioscoop uit, om meteen te ontnuchteren. We werden opgewacht door de politie, in die dagen nog uitgerust met klewangs, een soort kromme zwaarden waarmee in Nederlands-Indië ‘opstandelingen’ een kopje kleiner werden gemaakt. Het wapen werd ook wel het Zwaard Gods genoemd en bleef tot 1963 in gebruik bij de politie. Uiteraard gingen we er snel vandoor, want we hadden geen behoefte aan een hauw met een zwaard. Het zou nog even duren voordat we in opstand kwamen. In de States was de situatie niet veel beter. Eveneens in 1956 bepaalde een rechter in Florida dat tijdens een optreden van Elvis Presley aan beide kanten van het podium een rij politieagenten moest worden opgesteld. De cops moesten Elvis onmiddellijk arresteren als hij tijdens het zingen ook maar iets meer verroerde dan zijn pink. En dus bewoog Elvis alleen maar zijn pink, maar ook daar reageerden de meisjes in de zaal hysterisch op. Volgens journalisten waren de bewegingen van Presley tijdens zijn optredens ‘moreel verdorven’, ‘primitief’, ontuchtig’, ‘obsceen’ en ‘vulgair’, oftewel een ‘striptease met kleren aan’.
Skip Voogd, redacteur van het muziekblad Tuney Tunes, schreef in 1956 een artikel met als veelzeggende titel: ‘Elvis Presley – Hysterie in optima forma’. Hij had het over “afschuwelijk, mensonterend geschreeuw, gepaard gaande met sinister uitgestoten klanken”. Intussen zette ik in mijn slaapkamertje op de bovenste verdieping van mijn ouderlijk huis een pick-up uit een bouwpakket in elkaar en consumeerde mijn eerste singletje: Elvis Presley in een geel hoesje. Mijn moeder vond ‘Don’t be cruel’ walgelijke herrie en sloot beneden de stroomtoevoer af. Ze hield erg van mij.
In 1958 ging op de Nederlandse televisie het programma ‘Pas Geperst’ van start. Hier werd nieuw vinyl van commentaar voorzien. Mijn muziek had bijzonder weinig krediet. Ik zag hoe een Indo-bandje met best een aardig nummer werd geconfronteerd met de mezzosopraan Cora Canne Meyer. De grijze orkestleider Pi Scheffer leidde het tribunaal hoofdschuddend in met de woorden: “Veel mensen houden niet zo van jullie muziek.” Ziezo, de toon was gezet. De mezzosopraan bleek ernstig te hebben geleden tijdens het luisteren naar het plaatje. “Vooral het zingen stoort me erg”, verklaarde ze met een zuinig mondje. “Erg lelijk, ik houd er niet van. Het stoterige van de stem is naar.” Daar kon het Indo-bandje het mee doen. Verpletterd als een lastige vlieg. Dat was niet terecht: de Indo-bandjes waren in Nederland de pioniers van de nieuwe muziek. Ze hadden duidelijk een eigen stijl. Traden vaak op met twee sologitaristen en hanteerden een razend tempo. Ook werkten ze met syncopen die afkomstig waren uit de Indonesische gamelan. De Tielman Brothers waren top of the bill. Ze arriveerden in 1957 vanuit Timor in Nederland en gingen meteen van start met een bandje. Ze begrepen heel goed dat de mensen vooral luisterden met hun ogen. Dus zagen de Tielman Brothers er strak en flitsend uit met witte jasjes, witte schoenen en witte gitaren. Zanger Andy Tielman was een fenomeen: lang voordat Jimi Hendrix het deed bespeelde hij zijn gitaar met zijn tanden, en trouwens ook met zijn voeten. En het klonk nog goed ook. De Tielman Brothers hadden veel succes in Duitsland, en speelden een tijd in Hamburg met in het voorprogramma The Beatles, toen nog met Pete Best als drummer. De Tielman Brothers verdienden bakken met geld, maar zuinig waren ze niet. Andy Tielman stierf in 2011, geheel berooid. De goeie oude tijd was voor hem definitief voorbij. Natuurlijk kun je de situatie van ‘toen’ niet vergelijken met hoe het nu toegaat. Want muziek die relevant is, omringt ons thans elke dag. Daar kan het corona-virus niets aan veranderen.